Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AO4438
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Waardering van de gegevens van de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) te Marokko met betrekking tot het bestaan van kinderen in AKW-aangelegenheden.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/4175 AKW



U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant is mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2001 (AWB 00/3932 AKW), waarna hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 24 december 2002 heeft mr. Van den Brom, voornoemd, een vraag van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 november 2003, waar namens appellant is verschenen mr. Van den Brom en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. G. van der Schuur, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant, die in Marokko woont en die op grond van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering verzekerd is voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), heeft van gedaagde kinderbijslag ontvangen voor dertien in Marokko verblijvende kinderen. Dit zijn volgens opgave op het MN401 formulier en een kopie van het familieboekje de kinderen: Jamila, geboren 11 april 1988, Mina en Fatiha, beiden geboren op 24 november 1989, Faoud, geboren op 22 september 1990, Charifa en Mustapha, beiden geboren op 21 januari 1992, Ouarda, geboren op 2 februari 1993, Abdelkarim, geboren op 20 december 1993, Brahim, geboren 14 november 1994, Ikram en Jalal, beiden geboren op 31 augustus 1995, Laila, geboren op 2 augustus 1996 en Zkia, geboren op 27 december 1997.

Omdat er bij gedaagde twijfels bestonden over de gezinssamenstelling, is er op verzoek van gedaagde door medewerkers van de sociale attaché van de Nederlandse ambassade ter plaatse in Marokko een buitendienstonderzoek verricht naar het bestaan van de kinderen. Na verificatie bij het register van de burgerlijke stand is het de onderzoekers gebleken dat appellant maar zes kinderen had, te weten: Jamila, Fatiha, Mina, Charifa, Abdelkarim en Ikram. Appellant heeft de geconstateerde gegevens toegegeven en enkele door de onderzoekers benaderde inwoners uit Douar hebben nog eens bevestigd dat appellant nooit 13 kinderen gehad heeft. Uit het onderzoek blijkt dat mogelijk [naam broer], de broer van appellant, die in Nederland woont, het familieboekje met behulp van een ambtenaar gefalsifieerd heeft. Het MN401 formulier is, naar de onderzoekers is medegedeeld, ondertekend door M. Lamghari, een verkozen vice-president van de plattelandsgemeente [woonplaats], die analfabeet is en die nooit controleert wat hij ondertekent. De onderzoekers hebben niet de mogelijkheid gehad om de kinderen zelf te zien.
Gedaagde heeft appellant hierop bij besluit van 3 augustus 1999 medegedeeld dat hij met ingang van het vierde kwartaal van 1990 geen recht heeft op kinderbijslag voor de kinderen Fouad, Mustapha, Ouarda, Brahim, Jalal, Laila en Zkia en zijn recht op kinderbijslag met terugwerkende kracht vanaf dat kwartaal wordt herzien. Gedaagde heeft hiertoe overwogen dat niet ondubbelzinnig is komen vast te staan dat voornoemde kinderen ook inderdaad bestaan en als eigen kinderen van appellant zijn aan te merken. Bij brief van eveneens 3 augustus 1999 is voorts aangekondigd dat de ten onrechte aan appellant betaalde kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 1994 tot en met het eerste kwartaal van 1999 zal worden teruggevorderd.

In bezwaar heeft appellant gesteld 13 kinderen te hebben en heeft hij ter onderbouwing van zijn stelling verschillende verklaringen en aktes overgelegd, waaronder: door M. Lamghari ondertekende en op 20 augustus en 1 september 1999 gedateerde verklaringen van de gemeente [naam gemeente], een (tweede) kopie van zijn trouwboekje, een Certificat de Vie Collectif en een adoulaire Acte de Constatation de Filiation. Voorts heeft appellant in reactie op het rapport van de sociale attaché zelf in Marokko een onderzoek laten verrichten door twee medewerkers van het Nederlands Steunpunt Re-Migranten. Deze medewerkers hebben daar met de burgemeester en loco burgemeester van Ain Zorah gesproken, die beiden verklaarden dat het familieboekje 13 kinderen vermeldt en het familieboekje niet vervalst kan zijn. Anderzijds beschikt gedaagde in het dossier over een brief van de Nederlandse ambassade waarin zij gedaagde berichten dat appellant bij een bezoek aan de ambassade zijn familieboekje getoond heeft dat er hoogst onbetrouwbaar uit zag omdat er pagina's uit het boekje waren verwijderd en er pagina's uit een ander familieboekje met nietjes tussen waren geplakt. Gedaagde heeft het echter weinig zinvol geacht een tweede onderzoek door een sociaal attaché te laten verrichten. Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 10 juli 2000 zijn in het primair besluit neergelegde standpunt gehandhaafd met die wijziging dat appellants recht op kinderbijslag met ingang van het derde kwartaal van 1994 wordt herzien. Gedaagde heeft hierbij overwogen dat de diverse ter ondersteuning van appellants standpunt overgelegde verklaringen opgemaakt zijn aan de hand van het familieboekje dat volgens de Sociale verzekeringsbank gefalsifieerd is, zodat aan deze verklaringen geen waarde gehecht kan worden. Voorts kan aan de verklaringen die door M. Lamghari zijn ondertekend geen waarde gehecht worden nu deze analfabeet is en niet controleert wat hij ondertekent.

De gemachtigde van appellant heeft in beroep aanleiding gezien een advocaat in Marokko in te schakelen om (samen met een gerechtsdeurwaarder) nader onderzoek te verrichten naar het bestaan van de kinderen en daarvan een proces verbaal op te maken. Uit het proces verbaal valt op te maken dat de onderzoekers in aanwezigheid van appellant zich naar [woonplaats] hebben begeven om daar het bestaan van de 13 kinderen te constateren.

De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde inhoudelijk onderschreven, waarbij de rechtbank - kort gezegd - heeft overwogen dat meer waarde gehecht moest worden aan de constatering van het objectiveerbare feit dat de kinderen niet ingeschreven staan bij het register van de burgerlijke stand (het onderzoek door de sociale attaché), dan de verklaringen van de andere onderzoekers die niet op een dergelijke objectiveerbaar feit zijn gebaseerd.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte overwogen heeft dat appellant er niet in geslaagd is met betrouwbare en valide documenten aan te tonen dat Fouad, Mustapha, Ouarda, Brahim, Jalal, Laila en Zkia zijn eigen kinderen zijn. Voorts voert appellant aan dat de sociaal attaché voor zijn onderzoek mogelijk niet het register van de burgerlijke stand, maar een ander register geraadpleegd heeft, waarin de namen van voornoemde kinderen niet worden aangetroffen.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens vaste rechtspraak van de Raad is het voor de uitvoering van de AKW essentieel dat de belanghebbende verzekerde, desverlangd, betrouwbare en valide documenten verstrekt terzake van het bestaan en de afstamming van kinderen voor wie aanspraak op kinderbijslag wordt gemaakt. De Raad stelt vast dat op grond van artikel 29 van het Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake sociale zekerheid (Trb. 1973, 130), voor de toepassing van de AKW door bemiddeling van de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) de verificatie op de registratie en het bestaan van de in Marokko verblijvende kinderen plaatsvindt. De verzekerde hoeft derhalve zelf geen geboorteakten en levensbewijzen met betrekking tot zijn kinderen over te leggen. Op grond van de via de CNSS verstrekte gegevens moet derhalve in beginsel aangenomen worden dat sprake is van betrouwbare en valide documenten als hiervoor bedoeld.

Dit laat echter onverlet dat wanneer gedaagde twijfelt over de rechtmatigheid van de verstrekte gegevens hij, daargelaten nog de vraag of zulks gelet op de ratio van het Administratief Akkoord niet primair via de CNSS zou dienen te geschieden, nader onderzoek daaromtrent kan (laten) verrichten. De uit zo'n onderzoek blijkende gegevens kunnen echter eerst aanleiding geven af te wijken van de met toepassing van het Administratief Akkoord verkregen informatie, wanneer uit de aangedragen gegevens op overtuigende wijze blijkt of afgeleid kan worden dat de betreffende kinderen niet bestaan dan wel de via de CNSS verstrekte informatie anderszins onjuist is.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op grond van het in opdracht van gedaagde verrichte onderzoek niet is komen vast te staan dat de kinderen Fouad, Mustapha, Ouarda, Brahim, Jalal, Laila en Zkia inderdaad bestaan en als eigen kinderen van appellant zijn aan te merken. Deze conclusie is gebaseerd op het door de medewerkers van de sociaal attaché opgemaakte rapport van hun zorgvuldig verricht buitendienstonderzoek in [woonplaats], waarbij zij na raadpleging van brongegevens hebben moeten concluderen dat de kinderen niet bij het register van de burgerlijke stand zijn ingeschreven.

Appellant heeft de bevindingen uit deze rapportage naar het oordeel van de Raad niet met betrouwbare en valide documenten kunnen weerleggen. De Raad overweegt hiertoe vooreerst dat aan de rapportages die opgemaakt zijn naar aanleiding van de onderzoeken door het Nederlands Steunpunt Re-Migranten (SSR) en de Marokkaanse advocaat niet die waarde toegekend kan worden die appellant daaraan toegekend wil zien omdat deze onderzoeken zich beperkt hebben tot het afgaan op verklaringen van ondervraagde dorpsgenoten, zonder inzage te hebben verkregen in de brongegevens. De Raad merkt daarbij op dat de verklaringen die door de burgemeester en vice-burgemeester jegens de SSR zijn afgelegd, gebaseerd zijn op het familieboekje dat er volgens een medewerker van de Nederlandse ambassade hoogst onbetrouwbaar uitzag, omdat er pagina's uit het boekje waren verwijderd en er pagina's uit een ander familieboekje met nietjes tussen waren geplakt. Ook gedaagde heeft na vergelijking van de aan hem overgelegde kopieën van appellants familieboekjes moeten concluderen dat deze er hoogst onbetrouwbaar uitzagen. Voorts merkt de Raad op dat ook van de overige door appellant ter onderbouwing van zijn stelling overgelegde verklaringen niet gesteld kan worden dat deze gedaagdes standpunt kunnen weerleggen, nu deze verklaringen veelal gebaseerd zijn op de gegevens uit het familieboekje, waarvan de betrouwbaarheid juist wordt betwist. Naar het oordeel van de Raad kan evenmin aan de adoulaire Acte de Constatation de Filiation die bewijskracht toegekend worden die appellant daaraan toegekend wenst te zien, waarbij de Raad opmerkt dat in deze akte maar zes kinderen worden genoemd.
Nu ten aanzien van de zeven bovengenoemde kinderen niet kan worden aangenomen dat zij ook inderdaad bestaan en dat zij als eigen kinderen van appellant zijn aan te merken, heeft gedaagde terecht geoordeeld dat appellant voor deze kinderen geen recht op kinderbijslag heeft en heeft gedaagde terecht appellants recht op kinderbijslag met terugwerkende kracht herzien.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2004.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x