Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AP1559
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-05-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Niet met zekerheid is vast te stellen op welke datum de bezwaartermijn is aangevangen en zulks mag niet ten nadele van betrokkene uitwerken.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/4263 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 15 juli 2003, reg.nr. AWB 03/00394 AKW HOB, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 maart 2004, waar beide partijen, met kennisgeving, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De gemachtigde van appellant heeft bij faxbericht van 15 januari 2003, onder overlegging van een afschrift van gedaagdes besluit van 16 oktober 2002, voorlopig bezwaar aangetekend tegen dat besluit, waarbij aan appellant is medegedeeld dat hij met ingang van het tweede kwartaal van 2002 geen recht heeft op kinderbijslag voor Rabiye, Zarife en Fatih.
De gemachtigde heeft bij schrijven van 24 februari 2003 de gronden van het bezwaar aangevuld. In reactie op de vraag naar de reden van de termijnoverschrijding, heeft de gemachtigde geantwoord dat allereerst wordt betwist dat het besluit op een rechtsgeldige wijze naar buiten is gebracht of zelfs is verzonden en dat appellant voorts voor zijn vertrek naar Turkije, rond 15 april 2002, aan gedaagde kenbaar heeft gemaakt dat hij tot 15 januari 2003 in Turkije zou verblijven, zodat hij er derhalve van mocht uitgaan dat de eventuele beslissing naar zijn adres in Turkije zou worden gestuurd.
Gedaagde heeft bij besluit op bezwaar van 4 april 2003, hierna: het bestreden besluit, het bezwaar van appellant kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar wordt geacht. Gedaagde heeft daartoe overwogen dat het besluit van 16 oktober 2002 op een rechtsgeldige wijze naar buiten is gebracht en dat appellant voorafgaande aan zijn vertrek naar Turkije niet aan gedaagde kenbaar gemaakt heeft dat hij van 15 april 2002 tot 15 januari 2003 in Turkije zou verblijven.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat nu vast staat dat appellant het besluit van 16 oktober 2002 heeft ontvangen, het niet op de weg van gedaagde ligt om aannemelijk te maken dat het besluit op 16 oktober 2002 is verzonden, doch het op de weg van appellant ligt om aannnemelijk te maken dat hij het besluit niet tijdig heeft ontvangen. Hierin is appellant naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd.

Appellant heeft in hoger beroep zijn eerder aangevoerde grieven herhaald. Appellant heeft onder meer gesteld dat de enveloppen van de door gedaagde verzonden stukken niet waren voorzien van een poststempel met verzenddatum, zodat de rechtbank derhalve ten onrechte heeft overwogen dat het op de weg van appellant ligt om aannemelijk te maken dat hij het besluit niet tijdig heeft ontvangen.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Overeenkomstig artikel 6:8 van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

In het onderhavige geval heeft de verzending van het besluit van 16 oktober 2002 per niet-aangetekende post plaatsgevonden, volgens gedaagde op 16 oktober 2002. Gedaagde heeft ter onderbouwing van zijn stelling in hoger beroep aangevoerd dat in hun elektronische administratie is aangegeven dat het dossier op 16 oktober 2002 is afgesloten, dat het besluit niet door TGP Post geretourneerd is geweest en dat gesteld noch gebleken is dat in de relevante periode problemen waren met de postbezorging.

De Raad stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad bij niet-aangetekende verzending of verzending zonder bevestiging van ontvangst het risico van het niet kunnen aantonen dat het besluit daadwerkelijk (op de desbetreffende dag) is verzonden voor rekening van de afzender komt. Daarbij wordt echter niet uitgesloten dat langs andere weg wordt aangetoond dat aan de wettelijke voorwaarde voor het aanvangen van de termijn is voldaan.

Met het gestelde dat in hun elektronische administratie is aangegeven dat het dossier op 16 oktober 2002 is afgesloten, dat het besluit niet door TGP Post geretourneerd is geweest en dat gesteld noch gebleken is dat in de relevante periode problemen waren met de postbezorging, heeft gedaagde niet aangetoond dat het onderhavige besluit ook daadwerkelijk op 16 oktober 2002 is verzonden.

Het vorenstaande brengt de Raad tot de conclusie dat niet met zekerheid is vast te stellen op welke datum de bezwaartermijn is aangevangen. Deze onzekerheid mag naar het oordeel van de Raad niet ten nadele van appellant uitwerken in die zin dat zijn bezwaar vanwege termijnoverschrijding niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep doel treft en dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten die appellant in beroep en hoger beroep heeft moet maken. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt het besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot 966,-, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het griffierecht ad 118,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.J. Simon in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2004.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x