Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AQ1087
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de weigering van kinderbijslag gerechtvaardigd op de grond dat er geen sprake is van aangehuwde kinderen? Uit ter plaatse ingestelde onderzoeken in Pakistan is gebleken dat er geen huwelijk heeft bestaan.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/855 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 december 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft gedaagde bij brief van 15 januari 2003 een vraag van de Raad beantwoord en daarbij enige stukken overgelegd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 juni 2004, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door C.J. Siemerink, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant is [in] 1952 geboren te Pakistan en woont in Nederland met zijn echtgenote [naam echtgenote] en vier uit dat huwelijk geboren kinderen. In 1989 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld dat hij op 29 mei 1985 tevens is gehuwd met de in Pakistan wonende Khamida Begum, uit welk huwelijk op 24 april 1986 het kind Mudassar zou zijn geboren. Appellant heeft toen kinderbijslag aangevraagd voor dit kind en drie andere kinderen die geboren zouden zijn uit een eerder huwelijk van Khamida Begum met Ali Akhtar, waar onder de kinderen Sajid, geboren op 26 december 1978 en Yaseem geboren op 13 januari 1980. Gedaagde heeft vervolgens kennelijk ook voor deze vier - in Pakistan verblijvende - kinderen kinderbijslag aan appellant toegekend.
In het kader van een breder onderzoek naar de rechtmatigheid van de betaling van kinderbijslag ten behoeve van in Pakistan verblijvende kinderen, heeft gedaagde appellant in 1994 verzocht om gelegaliseerde documenten betreffende de geboorte van de kinderen en zijn huwelijken. Omdat appellant die documenten niet tijdig had ingeleverd heeft gedaagde ingaande het eerste kwartaal van 1994 de betaling van kinderbijslag ten behoeve van - onder meer - Sajid en Yasmeen geschorst. Na ontvangst van de gevraagde documenten heeft gedaagde besloten tot een tweetal onderzoeken naar de juistheid van die gegevens in Pakistan, welk onderzoeken door tussenkomst van de Nederlandse Ambassade in Pakistan zijn ingesteld door een zogenoemde vertrouwensadvocaat.

Bij besluit van 27 maart 1998 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat uit de in Pakistan ter plaatse ingestelde onderzoeken is gebleken dat er geen huwelijk heeft bestaan tussen Khamida Begum en Ali Akhtar. Nu geen gelegaliseerde huwelijksakte is overgelegd en op de geboorteakten de naam van Khamida Begum niet wordt genoemd, kan volgens gedaagde niet aangenomen worden dat Sajid en Yasheem aangehuwde kinderen van appellant zijn. Daarom heeft gedaagde met ingang van het eerste kwartaal van 1994 geweigerd kinderbijslag voor deze kinderen aan appellant toe te kennen.

Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Gedaagde heeft vervolgens aanleiding gevonden een nader onderzoek te laten verrichten in Pakistan. De rapportage van dit onderzoek heeft gedaagde, met toepassing van artikel 7:4, zesde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet aan appellant toegezonden.

Bij beslissing op bezwaar van 9 juni 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de beperking van de kennisneming van enkele stukken, die betrekking hebben op het derde onderzoek in Pakistan, op grond van artikel 8:29 van de Awb gerechtvaardigd geacht. Vervolgens heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard, overwegende dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de bevindingen van de Pakistaanse vertrouwensadvocaat.

Namens appellant zijn in hoger beroep grieven aangevoerd met betrekking tot het oordeel van de rechtbank omtrent de beperkte kennisneming van de rapportage van de vertrouwensadvocaat. Voorts is aangevoerd dat wel sprake is van een huwelijk tussen Khamida Begum en Ali Akhtar, zodat de uit dat huwelijk geboren kinderen Sajid en Yasmeen als aangehuwde kinderen van appellant aangemerkt moeten worden.

De Raad overweegt het volgende.

In hoger beroep heeft gedaagde medegedeeld zijn verzoek om beperking van de kennisneming van voornoemde rapportage van de vertrouwensadvocaat niet te handhaven, gelet op de jurisprudentie van de Raad ten aanzien van gelijksoortige gevallen. In die jurisprudentie, onder meer gepubliceerd in USZ 2002/64, heeft de Raad tot uitdrukking gebracht dat een beperking van de kennisneming van stukken in deze zaken slechts aanvaardbaar is wanneer de mogelijkheid van gevaar voor de bij het onderzoek betrokkenen in concreto aanwezig is. Hieruit volgt dat zowel het standpunt van gedaagde met betrekking tot de toepassing van artikel 7:4, zesde lid, van de Awb als dat van de rechtbank met betrekking tot artikel 8:29, derde lid, Awb niet kan worden gevolgd. Dit betekent ten eerste dat aan appellant in beroep bij de rechtbank ten onrechte bepaalde informatie is onthouden, als gevolg waarvan naar het oordeel van de Raad een zodanige schending van een fundamenteel beginsel van bestuurs(proces)recht heeft plaatsgevonden, dat dit - onder gegrondverklaring van het beroep - dient te leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De Raad heeft voorts geen aanleiding gevonden de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat in hoger beroep voldoende gegevens ter beschikking staan en dat verdere nodeloze verlenging van de duur van het geschil dient te worden voorkomen.

Ten aanzien van de beoordeling van het bestreden besluit stelt de Raad voorop dat in bezwaar aan appellant de hiervoor bedoelde informatie eveneens is onthouden. Dit betekent dat het bestreden besluit reeds wegens strijd met artikel 7:4 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad stelt vast dat tussen partijen in hoger beroep verder slechts in geschil is of de weigering van kinderbijslag aan appellant voor de kinderen Sajid en Yasmeen vanaf het eerste kwartaal van 1994 tot en met het eerste kwartaal van 1996 in rechte stand kan houden. Ten aanzien van dit geschilpunt heeft de Raad al eerder overwogen, onder meer in de uitspraak van 23 december 1998 (RSV 99/89), gewezen in een soortgelijk geding, dat het voor de uitvoering van de AKW essentieel is dat de belanghebbende verzekerde, desverlangd, betrouwbare en valide documenten verstrekt terzake van het bestaan en de afstamming van kinderen voor wie hij aanspraak maakt op kinderbijslag. Daarbij spitst het geschil zich in deze procedure toe op de vraag of Sajid en Yasheem aangemerkt kunnen worden als aangehuwde kinderen van appellant, geboren uit het huwelijk van Kamhida Begum en Ali Akhtar. Op de door appellant in 1994 overgelegde geboorteakten van deze kinderen staat weliswaar Ali Akhtar vermeld als vader, doch de naam van de moeder staat er niet op vermeld. Dit betekent dat alleen op grond van die akten niet aangenomen kan worden dat Khamida Begum de moeder van deze kinderen is. Daarbij acht de Raad verder van belang dat door appellant eerder geboorteakten van deze kinderen zijn overgelegd, waarop appellant als hun vader is vermeld. Verder blijkt uit de onderzoeken van de vertrouwensadvocaat dat de huwelijken van Khamida Begum met Ali Akhtar en appellant niet in de registers in Pakistan zijn geregistreerd en dat Sajid en Yasheem volgens de vertrouwensadvocaat kinderen zijn van familieleden van appellant.

De Raad ziet geen reden om op deze punten aan de resultaten van het onderzoek te twijfelen en is met gedaagde van oordeel dat een en ander de weigering van kinderbijslag rechtvaardigt op de grondslag dat niet gebleken is dat sprake is van aangehuwde kinderen. Daarbij merkt de Raad nog op dat namens appellant de conclusies van de vertrouwensadvocaat niet overtuigend zijn betwist.

Al het voorgaande heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep dient gegrond te worden verklaard en het daarop betrekking hebbende bestreden besluit dient eveneens te worden vernietigd. Nu uit hetgeen de Raad heeft overwogen volgt dat hij zich kan vinden in het standpunt van gedaagde met betrekking tot de aanspraak op kinderbijslag, zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven.

De Raad heeft in het voorgaande ook aanleiding gezien gedaagde te veroordelen tot betaling van de proceskosten die appellant in verband met het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In beroep zijn deze kosten begroot op 805,- en in hoger beroep op 322,-, te betalen aan appellant.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in totaal begroot op 1127,- te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan appellant;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het door appellant gestorte griffierecht van in totaal 109,23 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2004.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x