Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW / Wet BEU
x
LJN:
x
AR2764
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag voor in Pakistan verblijvende kinderen. Toepassing van de Wet BEU. Is er sprake van strijd met IAO-Verdrag 118, het EVRM en/of het IVBPR?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/1912 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant heeft mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 februari 2002, nr. AKW 01/1159 BRG, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is - gevoegd met de gedingen onder nrs. 01/5529, 03/2619, 01/6421, 02/316 en 02/5069 - behandeld ter zitting van de Raad op 25 juni 2004, waar appellant niet is verschenen, terwijl voor gedaagde zijn verschenen mr. T.E.C. Werner-de Buck en mr. G.J. Oudenes, beiden werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellants echtgenote en kinderen, die tot die datum bij appellant in Nederland woonden, zijn op 20 april 2000 naar Pakistan vertrokken. Op de peildatum van het vierde kwartaal van 2000 verbleven zij daar nog steeds. Bij besluit op bezwaar van 19 januari 2001 heeft gedaagde afwijzend beslist op appellants bezwaar tegen de weigering van kinderbijslag over het derde kwartaal van 2000. Uit de gedingstukken blijkt niet dat door appellant tegen dit besluit rechtsmiddelen zijn aangewend.
Bij besluit van 31 januari 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant kinderbijslag toe te kennen met ingang van het vierde kwartaal van 2000. Overwogen wordt dat appellants kinderen op de peildatum (reeds) langer dan drie maanden in Pakistan wonen. Nu Pakistan een land is waarvoor de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) geldt, bestaat met ingang van dat kwartaal, op grond van de Wet BEU, geen recht op kinderbijslag ten behoeve van appellants kinderen.

Namens appellant is in bezwaar tegen dit besluit aangevoerd dat de Wet BEU op gespannen voet staat met artikel 1 van het Europees Protocol.

Bij besluit van 25 mei 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard. Overwogen wordt dat ten gevolge van de Wet BEU vanaf 1 januari 2000 kinderbijslag alleen nog wordt geëxporteerd naar landen waarmee Nederland afspraken heeft over controle op naleving van de regels die gelden voor het recht op uitkering. Voor bepaalde gevallen geldt tot 1 januari 2003 een overgangsregel. Appellant valt echter niet onder het overgangsrecht omdat zijn kinderen op 31 december 1999 (nog) in Nederland woonden. Getoetst aan de Wet BEU heeft appellant in genoemd kwartaal geen recht op kinderbijslag. Appellants beroep op artikel 1 van het Europees Protocol wordt, als onvoldoende toegelicht, buiten beschouwing gelaten.

In beroep is namens appellant onder meer aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het Europees Protocol behorend bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Namens gedaagde is in verweer betoogd dat de Wet BEU niet in strijd is met het EVRM of met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen.

Volgens de rechtbank kan niet van discriminatie worden gesproken nu met de Wet BEU een gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd en er sprake is van geschiktheid en proportionaliteit van de gehanteerde middelen in relatie tot het beoogde doel. De rechtbank oordeelt vervolgens dat, indien in een geval als het onderhavige de weigering van kinderbijslag al als een in artikel 1 van het Eerste Protocol bedoelde ontneming van eigendom moet worden aangemerkt, tegen de achtergrond van het doel van de Wet BEU, van een ontneming van de eigendom in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol geen sprake is. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant onder meer betoogd dat appellant het oordeel van de rechtbank niet kan volgen. Appellant is van mening dat ook op andere wijzen getoetst kan worden of er recht op kinderbijslag bestaat, zonder dat uitsluiting noodzakelijk is. Ter zitting van de Raad is voorts aan de orde gekomen of de weigering om kinderbijslag toe te kennen over het vierde kwartaal van 2000 en verder niet in strijd komt met het Verdrag 118 betreffende gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen op het gebied van de sociale zekerheid d.d. 28 juni 1962, Trb. 1964, 23 (hierna: IAO-verdrag 118).

De Raad oordeelt als volgt.

Op 1 januari 2000 is de Wet BEU in werking getreden. Bij deze wet is aan de AKW een nieuw artikel 7b toegevoegd. Dit artikel luidt, voorzover van belang, als volgt:
"1. Geen recht op kinderbijslag heeft de verzekerde die op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont. Evenmin heeft de verzekerde recht op kinderbijslag ten behoeve van het eigen kind, het aangehuwde kind of het pleegkind, indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de verzekerde dan wel dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan.
(...)
6. Onze Minister maakt de landen bekend waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan."

Artikel XIII van de Wet BEU bepaalt, voorzover van belang, het volgende:
"Artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet is gedurende drie jaren na inwerkingtreding van deze wet niet van toepassing op:
(...)
b. de verzekerde, voorzover die over het kwartaal voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van deze wet, op grond van artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet recht heeft op kinderbijslag ten behoeve van het eigen kind, het aangehuwde kind of het pleegkind, dat op de laatste dag van dat kwartaal niet in Nederland woont."

Tussen partijen is niet in geschil dat appellants kinderen op de laatste dag van het vierde kwartaal van 1999 in Nederland woonden. Daaruit volgt dat appellant niet valt onder de overgangsregeling van de Wet BEU en dat artikel 7b van de AKW onverkort op hem van toepassing is.

Appellants kinderen woonden ten tijde hier van belang allen in Pakistan. Pakistan is geen land als bedoeld in artikel 7b, tweede en zesde lid, van de AKW, waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan. De weigering om vanaf het vierde kwartaal 2000 kinderbijslag aan appellant te verstrekken is derhalve in overeenstemming met het nationale recht.

Vervolgens rijst de vraag of de hiervoor genoemde bepalingen van internationaal recht zich verzetten tegen gedaagdes weigering om aan appellant met ingang van genoemd kwartaal kinderbijslag toe te kennen.

Met betrekking tot appellants stelling dat de weigering van kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2000 inbreuk maakt op een aan appellant toekomende ‘possession’ als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, merkt de Raad op dat appellant voorafgaande aan het in geding zijnde vierde kwartaal van 2000 geen kinderbijslag heeft genoten en daarop ook geen recht had. Daaruit volgt dat de weigering van kinderbijslag in het vierde kwartaal van 2000 geen ontneming of beperking van een bestaande, of anderszins aan appellant toekomende, ‘possession’, betekent, zodat die weigering niet in strijd is met artikel 1 van genoemd Protocol.

Ten aanzien van het beroep op IAO-verdrag 118 overweegt de Raad als volgt.

Artikel 4 van dat verdrag bepaalt, voorzover van belang, het volgende:
"1. Met betrekking tot het genot der uitkeringen moet gelijkheid van behandeling verzekerd worden zonder woonplaatsvereiste. Zij kan echter van een woonplaatsvereiste afhankelijk worden gesteld ten aanzien van de uitkeringen van een bepaalde tak van sociale zekerheid wat betreft de onderdanen van elk Lid wiens wettelijke regeling de toekenning van uitkeringen van dezelfde tak afhankelijk stelt van het vereiste van woonplaats op diens grondgebied.
(...)"

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 17 maart 1992 (RSV 1993/56) overweegt de Raad dat deze bepaling alleen ziet op directe discriminatie naar nationaliteit en niet ook op indirecte discriminatie naar nationaliteit. De Wet BEU maakt geen direct onderscheid naar nationaliteit. Reeds hierom kan het beroep op artikel 4 niet slagen.

Artikel 6 van IAO-verdrag 118 bepaalt het volgende:
"Benevens het in artikel 4 bepaalde moet elk Lid dat de verplichtingen van dit Verdrag voor de gezinsuitkeringen heeft aanvaard, zowel aan zijn eigen onderdanen als aan de onderdanen van ieder ander Lid dat de verplichtingen van dit Verdrag voor dezelfde tak van sociale zekerheid heeft aanvaard, bovendien waarborgen het genot van gezinsuitkeringen met betrekking tot kinderen die op het grondgebied van een van deze Leden wonen, onder de voorwaarden en binnen de grenzen door de betrokken Leden in gemeenschappelijk overleg vast te stellen."

De Raad stelt vast dat Pakistan IAO-verdrag 188 weliswaar heeft geratificeerd, maar niet de verplichtingen van dat verdrag voor de gezinsbijslagen heeft aanvaard. Appellant kan dan ook reeds daarom aan artikel 6 van IAO-verdrag 118 geen recht op kinderbijslag ten behoeve van zijn in Pakistan verblijvende kinderen ontlenen. Een beroep op dit artikel moet dan ook falen.

Ten aanzien van het beroep op artikel 26 IVBPR overweegt de Raad als volgt.

Op grond van de Wet BEU heeft de verzekerde geen recht op een socialeverzekeringsuitkering zoals de AKW gedurende de periode dat hij, of degene ten behoeve van wie de uitkering wordt verstrekt, niet in Nederland woont. Deze exportbeperking geldt niet indien de betrokkene woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op een uitkering kan bestaan. Het bij de Wet BEU ingevoerde woonplaatsvereiste levert een indirect onderscheid naar nationaliteit op. Van strijd met artikel 26 van het IVBPR is echter geen sprake indien dat vereiste, gezien het doel van de Wet BEU, op redelijke en objectieve gronden gerechtvaardigd is.

De Wet BEU heeft blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1997/98, 25 757, nr. 3) tot doel de handhaafbaarheid van uitkeringen buiten Nederland te verbeteren. Het middel hiertoe is om met landen waar Nederlandse uitkeringen worden betaald, bij verdrag afspraken te maken die ten aanzien van dat land de handhaafbaarheid van de socialeverzekeringswetten, en daardoor de rechtmatigheid van uitkeringen, verbeteren. Naar het oordeel van de Raad kan gesproken worden van een legitieme doelstelling en een passend middel om het gestelde doel te bereiken en derhalve van een objectieve rechtvaardiging van het indirecte onderscheid naar nationaliteit.

Ten aanzien van de toetsing aan artikel 14 EVRM ziet de Raad geen grond om op dit punt andere maatstaven aan te leggen dan met betrekking tot de toetsing aan artikel 26 IVBPR zijn gehanteerd, zodat het beroep op deze bepaling eveneens faalt.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Daarom moet als volgt worden beslist.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 september 2004.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x