Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AS5266
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-02-2005
Soort procedure: verzet
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het verzet is ongegrond omdat het griffierecht voor het hoger beroep niet-verschoonbaar niet tijdig is betaald.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/5103 AKW




U I T S P R A A K




met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[opposante], als erfgename van [betrokkene], wonende te [woonplaats], opposante.

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, geopposeerde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens opposante heeft mr. G.A. Soebhag, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 29 augustus 2003 (reg.nr. AKW 02/996 KRD) tussen partijen gegeven uitspraak.

Bij uitspraak van 9 juli 2004 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat opposante het griffierecht niet tijdig heeft voldaan en op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposante niet in verzuim is geweest.

Tegen deze uitspraak is verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 december 2004, waar voor opposante is verschenen haar gemachtigde mr. G.A. Soebhag en geopposeerde niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Ingevolge artikel 22, tweede lid, onder a, van de Beroepswet (Bw) is de indiener van een beroepschrift een griffierecht verschuldigd van 87,-.

De gemachtigde van opposante is op de verschuldigdheid daarvan door de griffier gewezen bij brieven van 27 oktober 2003 en 17 november 2003. In verband met een foutieve adressering van het schrijven van 17 november 2003 is voornoemde gemachtigde bij aangetekende brief van 17 februari 2004 nogmaals uitgenodigd het verschuldigde griffierecht te voldoen. Bij laatstgenoemde brief is de gemachtigde van opposante meegedeeld dat het verschuldigde recht binnen vier weken dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie te zijn gestort en dat bij overschrijding van de genoemde termijn ermee rekening moet worden gehouden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Het griffierecht is op 18 augustus 2004, derhalve na ommekomst van de hiervoor gestelde termijn, op de rekening van de Raad bijgeschreven.

Gelet op het bepaalde in artikel 22, vierde lid, van de Bw wordt, indien het griffierecht niet tijdig is bijgeschreven of gestort, het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.

In het verzetschrift en ter zitting is door de gemachtigde van opposante onder meer aangevoerd dat door miscommunicatie tussen hem en opposante het griffierecht niet tijdig is voldaan.

De Raad is van oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring terecht is geschied en verwijst daartoe in de eerste plaats naar de inhoud van de brieven van 27 oktober 2003 en 17 februari 2004. In hetgeen door de gemachtigde van opposante is aangevoerd, is naar het oordeel van de Raad geen grond gelegen voor het oordeel dat opposante terzake van het verzuim redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
De Raad overweegt daartoe dat volgens zijn vaste rechtspraak de gevolgen van processuele handelingen, waaronder tevens te verstaan een nalaten, van een gemachtigde in het algemeen voor rekening dienen te blijven van degene die zijn belangen aan die gemachtigde heeft toevertrouwd.
De Raad heeft geen aanknopingspunten om daar in het onderhavige geval anders over te oordelen.

Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Awb ongegrond te worden verklaard. Gelet op artikel 8:55, zesde lid, van de Awb blijft de uitspraak van de Raad van 9 juli 2004 derhalve in stand.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x