Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AS5615
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Recht op kinderbijslag met terugwerkende kracht. Invulling van het begrip bijzonder geval. Had betrokkene maatregelen dienen te nemen om het recht op kinderbijslag veilig te stellen door bij aanvang van de procedure over zijn aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering een aanvraag om kinderbijslag te doen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3712 AKW en 02/3719 AKW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Spanje), appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant heeft op daartoe bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2002, nrs. AWB 98/7780 AKW en AWB 98/8897 AKW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 12 november 2004, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Bij besluiten van 29 april 1998 en 25 mei 1998 heeft gedaagde onder meer de aanvraag van appellant om kinderbijslag voor de kinderen Maria Theresa en Christina vanaf het eerste kwartaal van 1985 tot en met het tweede kwartaal van 1994 afgewezen, omdat deze periode is gelegen voor het tijdvak dat met inachtneming van een periode van de terugwerkende kracht van drie jaar vanaf de datum van aanvraag kan worden beoordeeld.

Bij besluiten van 14 augustus 1998 heeft gedaagde het tegen genoemde besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde onder meer overwogen dat op grond van artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), zoals dat artikel luidde tot 29 december 1995, het recht op kinderbijslag niet kan worden vastgesteld over tijdvakken gelegen drie jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welke de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. Naar het oordeel van gedaagde was geen sprake van een bijzonder geval, waarin ingevolge dit wetsartikel afgeweken kan worden van de hiervoor genoemde termijn van drie jaar, omdat appellant zijn aanspraken op kinderbijslag veilig had kunnen stellen door bij aanvang van de procedure over zijn aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering een aanvraag om kinderbijslag te doen.

Bij de aangevallen uitspraak, waarin is vastgesteld dat slechts in geschil is de weigering van kinderbijslag over de periode 1985 tot en met het tweede kwartaal van 1994, is het beroep van appellant ongegrond verklaard op grond van de in die uitspraak opgenomen overwegingen.

Tussen partijen is in dit geding derhalve slechts in geschil of gedaagde terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de AKW, en of gedaagde op die grond terecht heeft geweigerd kinderbijslag aan appellant toe te kennen over kwartalen gelegen vr het derde kwartaal van 1994.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde erkend dat, gelet op de inhoud van een zich onder de geding- stukken bevindende brief van 30 december 1992, aan de toenmalige gemachtigde van appellant is toegezegd dat, als aan appellant alsnog een hogere uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) zou worden toegekend, hij alsnog als verzekerde voor de volksverzekeringen zou kunnen worden aangemerkt en de beslissing van 8 januari 1991 zou worden herzien. Daaraan heeft de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de Raad de conclusie verbonden dat vanaf 1989 een bijzonder geval in de zin van artikel 14, derde lid, van de AKW dient te worden aangenomen, zodat de bestreden besluiten reeds om die reden niet kunnen worden gehandhaafd.

Derhalve resteert thans nog de vraag of ook in de periode 1985 tot 1989 van een bijzonder geval in de hiervoor bedoelde zin kan worden gesproken.

Op grond van het navolgende beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend.

De Raad stelt vast dat gedaagde voor gevallen als het onderhavige, waarin eerst met terugwerkende kracht een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend en die toekenning ertoe leidt dat de betrokkene alsnog met terugwerkende kracht verzekerd is ingevolge de volksverzekeringen, aan het begrip bijzonder geval aldus invulling heeft gegeven dat een dergelijk geval wordt aangenomen wanneer de betrokkene zijn aanspraken op kinderbijslag al eerder op enigerlei wijze veilig heeft gesteld. Gedaagde neemt aan dat daarvan sprake is als vr het tijdstip van toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering een aanvraag is ingediend en betrokkene voldoende moeite heeft gedaan gedaagde in het kader van die aanvraag, of van een eventuele bezwaar- of beroepsprocedure, te informeren over de mogelijke toekomstige aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkering. De Raad acht dit in het algemeen een aanvaardbare invulling van het begrip bijzonder geval.

In weerwil van al hetgeen van de kant van appellant naar voren is gebracht, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om in casu in de periode voorafgaand aan 1989 - uitgaande van de hierboven omschreven maatstaf - een bijzonder geval aan te nemen. De beschikbare gedingstukken bieden geen aanknopingspunt voor de zienswijze dat appellant zich reeds toentertijd met het oog op de kinderbijslag in dat tijdvak tot gedaagde heeft gewend. Derhalve is niet komen vast te staan dat appellant in die periode de geigende maatregelen heeft genomen om zijn aanspraak op kinderbijslag veilig te stellen.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat gedaagde ten onrechte heeft aangenomen dat in dit geval geen sprake is van een bijzonder geval in de periode 1989 tot en met het tweede kwartaal van 1994. De aangevallen uitspraak en de bestreden besluiten kunnen derhalve niet in stand blijven. Gedaagde zal met inachtneming van het hiervoor overwogene nieuwe besluiten op bezwaar dienen te nemen.

De Raad acht op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor in beroep verleende rechtsbijstand en 644,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de inleidende beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;
Bepaalt dat gedaagde nieuwe besluiten op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 1288,-;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het door appellant betaalde griffierecht ad 129,35 aan hem dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar 4 februari 2005.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x