Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AT6758
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht geweigerd om tweevoudige kinderbijslag aan betrokkene toe te kennen op de grond dat het kind op de peildatum in verband met ziekte of gebreken niet tot het huishouden van betrokkene behoorde?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2715 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent appellant de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 april 2003, nr. SBR 02/1077, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. P. Ruitenberg, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 april 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. L.R.W. van der Feen de Lille, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank en waar gedaagde in persoon is verschenen vergezeld van haar echtgenoot en bijgestaan door mr. Ruitenberg, voornoemd.




II. MOTIVERING


Gedaagde is de moeder van Eibert, geboren [in] 1986. Bij Eibert is sprake van ADHD en een gedragsstoornis, in verband waarmee hij opgenomen is geweest in de instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie Fornhese te Amersfoort. Door deze instelling is in februari 2001 geadviseerd Eibert op te laten nemen in een residentiŽle setting met een school voor voortgezet speciaal onderwijs. Ter zake van de uithuisplaatsing is gedaagde toen verwezen naar Bureau Jeugdzorg.

In maart 2001 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat Eibert met ingang van 6 maart 2001 uitwonend is geworden op internaat Valkenheide te Maarsbergen. Op een door appellant aan Valkenheide toegezonden inlichtingenformulier is door deze instelling als reden van het verblijf van Eibert aldaar opgegeven dat Eibert moeilijk opvoedbaar is.

Bij besluit van 27 september 2001 heeft appellant over het tweede kwartaal van 2001 enkelvoudige kinderbijslag aan gedaagde toegekend voor Eibert. Daarbij is overwogen dat Eibert niet in verband met studie of ziekte uitwonend is.

Gedaagde heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en aangevoerd dat Eibert wel in verband met ziekte uit huis is geplaatst. Daarbij is erop gewezen dat hij eerder opgenomen is geweest in verband met zijn ADHD en een gedragsstoornis in Fornhese en dat Eibert op advies van deze instelling, via het Bureau Jeugdzorg, is geplaatst in Valkenheide. Appellant heeft vervolgens aan gedaagde verzocht om een afschrift van het advies van Bureau Jeugdzorg, op welk verzoek gedaagde afwijzend heeft gereageerd, omdat alle beschikbare informatie reeds voldoende naar voren zou komen in een eerder overgelegde brief van Fornhese.

Bij beslissing op bezwaar van 18 april 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van gedaagde ongegrond verklaard, overwegende dat op grond van de beschikbaar gestelde stukken niet, althans onvoldoende, is komen vast te staan dat aan de uithuisplaatsing van Eibert primair een medische reden ten grondslag ligt. Derhalve kan volgens appellant niet vastgesteld worden of Eibert vanaf 1 april 2001 in verband met ziekte of gebreken uitwonend is.

Namens gedaagde is in beroep, onder meer, aangevoerd dat de uithuisplaatsing een rechtstreeks gevolg is van de medische toestand van Eibert en dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid nu appellant de medische kant van het geschil niet door een medicus heeft laten beoordelen.

De rechtbank heeft het beroep van gedaagde gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met veroordeling van appellant in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij gedaagde als eiseres en appellant als verweerder is aangeduid:
"Uit de hiervoor aangehaalde medische verklaringen blijkt onomstotelijk dat Eibert lijdt aan ADHD en een gedragsstoornis. Dit gegeven heeft verweerder overigens ook niet bestreden. Bovendien is gebleken dat is geadviseerd om Eibert uit huis te plaatsen en in Valkenheide onder te brengen vanwege zijn impulsieve en onbeheersbare gedrag. In Valkenheide wordt blijkens genoemde verklaringen geprobeerd met een strakke structuur alsmede een medicamenteuze behandeling verbetering te brengen in het moeilijke gedrag van Eibert. Gezien deze omstandigheden moet geconcludeerd worden dat Eibert wegens ziekte of gebrek niet tot het huishouden van eiseres behoorde in de periode hier in geding.
Dat Eibert als gevolg van zijn ADHD en gedragsstoornis moeilijk opvoedbaar is, acht de rechtbank gezien de inhoud van de medische verklaringen voor de hand liggen. Vanwege de samenhang tussen de stoornis en de moeilijke opvoedbaarheid is het niet onbegrijpelijk dat Valkenheide dat laatste heeft aangegeven als reden voor het verblijf van Eibert in de instelling. Dit laat echter onverlet dat de ADHD en de gedragsstoornis van Eibert als doorslaggevende reden gezien moet worden voor zijn uithuisplaatsing."

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat op grond van de thans bekende gegevens onduidelijk is of de ADHD van Eibert dan wel zijn gedrags- of acceptatieproblematiek heeft geleid tot het advies hem in Valkenheide te plaatsen. Daarbij is aangegeven dat appellant het uitgangspunt hanteert dat de belangrijkste reden tot uithuisplaatsing van doorslaggevend belang is voor de vraag of sprake is van uitwonend zijn in verband met ziekte of gebreken. Appellant meent dat nader onderzoek naar de vraag welke reden primair aan de uithuisplaatsing ten grondslag heeft gelegen nodig is, welk onderzoek in maart 2002 is gestart, maar niets heeft opgeleverd omdat gedaagde daaraan niet wenste mee te werken.

De Raad overweegt het volgende.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of appellant terecht geweigerd heeft tweevoudige kinderbijslag aan gedaagde toe te kennen over het tweede kwartaal van 2001, op de grond dat Eibert op de peildatum van dat kwartaal niet in verband met ziekte of gebreken niet tot het huishouden van gedaagde behoorde, als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder a, ii, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), zoals dit artikellid sedert 29 december 2000 luidt. Voor de beoordeling van dit geschilpunt is van belang of er sprake is van een causaal verband tussen het uitwonend zijn en ziekte of gebreken. Hiervan is in het algemeen sprake indien de belangrijkste reden van het uitwonend worden gelegen is in ziekte of gebreken.
De Raad stelt vast dat bij Eibert sprake is van ADHD en een gedragsstoornis. In verband met deze problematiek is Eibert, omstreeks 1997, opgenomen in de instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie Fornhese te Amersfoort. Appellant heeft toen aangenomen dat een causaal verband bestond tussen het uitwonend zijn van Eibert en ziekte of gebreken. Nadat de plaatsing in Fornhese was beŽindigd, volgens gedaagde in verband met de leeftijd van Eibert, heeft Fornhese geadviseerd Eibert te plaatsen in een residentiŽle setting. Dit advies is kennelijk door Bureau Jeugdzorg overgenomen, waarna Eibert is geplaatst in Valkenheide. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting van de Raad desgevraagd verklaard dat ADHD aangemerkt moet worden als een ziekte of gebrek, maar dat de gedragsstoornis van Eibert niet als zodanig aangemerkt kan worden.

Tussen partijen is derhalve niet in geschil is dat in ieder geval de ADHD van Eibert een ziekte of gebrek is, welke in het verleden mede heeft geleid tot de plaatsing van Eibert in Fornhese, en dat appellant toen een causaal verband tussen het uitwonend zijn en ziekte of gebrek heeft aangenomen. Nu uit de gedingstukken blijkt dat Fornhese vervolgens heeft geadviseerd tot plaatsing van Eibert in een instelling als Valkenheide, is de Raad van oordeel dat, daargelaten de vraag of de gedragsstoornis van Eibert een ziekte of gebrek is, sprake is van een zodanige medische situatie van Eibert, waarbij de ADHD en de gedragsproblematiek een nauwe samenhang en verwevenheid vertonen, dat niet gezegd kan worden dat er sprake is van een onvoldoende nauw verband tussen het uitwonend zijn van Eibert en ziekte of gebrek. Daarbij acht de Raad van belang dat niet is gebleken dat in overwegende mate andere redenen dan de ziekten of gebreken van Eibert hebben geleid tot zijn uithuisplaatsing.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Appellant dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Namens gedaagde is verzocht om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten aanzien van de wettelijke rente. Nu appellant nog nader dient te beslissen omtrent de aanspraak op tweevoudige kinderbijslag voor Eibert kan het bestaan en de omvang van de gevorderde schade nog niet met zekerheid worden vastgesteld. De Raad wijst daarom het verzoek om schadevergoeding thans af.

De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op Ä 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot Ä 644,- te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan gedaagde;
Bepaalt dat van appellant een recht van Ä 414,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2005.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x