Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AU5494
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-11-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht besloten betrokkene, een op schepen met de Nederlandse vlag varende zeeman met de Indonesische nationaliteit die een in IndonesiŽ woonachtige vrouw en vier kinderen heeft, kinderbijslag te weigeren?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/968 AKW




UITSPRAAK




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. Y.M. Schrevelius, advocaat te Rotterdam hoger beroep doen instellen tegen een tussen partijen op 4 januari 2005 onder kenmerk 04/1396 door de rechtbank Rotterdam gewezen uitspraak.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 oktober 2005. Partijen zijn bij die gelegenheid niet verschenen.




II. MOTIVERING


In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of appellant, een op schepen met de Nederlandse vlag varende zeeman met de Indonesische nationaliteit, die een in IndonesiŽ woonachtige vrouw en vier kinderen heeft, over de kwartalen 2 tot en met 4 van 2003 geen recht heeft op - uitkering van - kinderbijslag

Gedaagde heeft die vraag bij het na bezwaar genomen besluit van 15 maart 2004 gemotiveerd in ontkennende zin beantwoord en bij de aangevallen uitspraak van de rechtbank van 4 januari 2005 is dit standpunt gemotiveerd gevolgd.

De Raad deelt op grond van de stukken de onderbouwde zienswijze van de rechtbank.
Inzonderheid houdt de Raad voor de toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet ter afpaling van de kring van verzekerden met het oog op onderworpenheid aan loonbelasting tevens vast aan zijn opvatting dat het werken aan boord van een schip niet kan worden beschouwd als het vereiste binnen Nederland verrichten van werk (verwezen wordt reeds naar de uitspraak van de Raad van 18 december 1973, RSV 1974/197).
Evenmin acht de Raad op de peildata van de eerdergenoemde kwartalen de juridische en sociale binding van appellant met Nederland van zodanige aard dat hij als ingezetene als bedoeld in de Algemene Kinderbijslagwet kan worden aangemerkt. Immers, eerst op 1 december 2003 verkreeg hij hier te lande een verblijfstitel voor bepaalde tijd en verder verbleef hij tijdens de perioden in geding zo niet overwegend op een schip buitengaats, langere aaneengesloten fasen bij zijn gezin in IndonesiŽ dan in [plaatsnaam] waar hij incidentele zeer korte tussenstops in weekeinden maakte. De economische binding welke destijds door de relatie met de Nederlandse werkgever toch heeft bestaan, al werd appellant wel eerst in februari 2004 medehuurder van een woning in [plaatsnaam], kan in de totaliteit van als te zwak beschouwde bindingen niet als van doorslaggevende betekenis ten gunste van zijn uitkeringsrechten in de perioden in geding worden beschouwd. Aan vorenbedoelde ontoereikendheid van die bindingen kan verder niet afdoen hetgeen aan feiten en omstandigheden namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, omdat zulks in essentie een herhaling vormt hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd en naar het oordeel van de Raad reeds afdoende is meegewogen door de rechtbank, zo niet reeds door gedaagde als besluitgever, en op goede gronden voor appellant niet tot doel kon leiden.
Voorts is de Raad overigens niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden welke hem nopen van voorgaand oordeel af te wijken.

De aangevallen uitspraak van de rechtbank komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet tenslotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x