Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AU8533
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht geoordeeld dat de echtgenoot van betrokkene ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was krachtens de Anw?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/5807 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellante heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 september 2004, nr. 03/2275 ANW waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij enkele vragen van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 juli 2005, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

De Raad heeft vervolgens besloten het onderzoek in deze procedure te heropenen in verband met nadere besluitvorming van gedaagde omtrent de mogelijke toelating van de echtgenoot van appellante tot de vrijwillige verzekering. Bij brief van 3 augustus 2005 heeft gedaagde een besluit hieromtrent aan de Raad gezonden.

Het geding is daarna, gevoegd met een soortgelijk geschil geregistreerd onder nr. 05/502 ANW, behandeld ter zitting van de Raad op 16 september 2005, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door H. van der Most en mr. K.C.M. van Engelenhoven, beiden werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellante is op 16 september 1985 in Marokko gehuwd met [naam echtgenoot] en woont in Marokko. Haar echtgenoot is in Nederland werkzaam geweest en is na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid teruggekeerd naar Marokko. Hij heeft laatstelijk tot 1 juli 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen en vanaf die datum heeft hij een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) ontvangen alsmede een toeslag krachtens die wet. De echtgenoot van appellante is op 8 september 2001 in Marokko overleden. Vervolgens heeft appellante aan gedaagde verzocht een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) aan haar toe te kennen.

Bij beslissing op bezwaar van 14 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn besluit van 10 mei 2002 gehandhaafd, waarbij is geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen, omdat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge de Anw. Daarbij heeft gedaagde erop gewezen dat met ingang van
1 januari 2000 artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 24 december 1998, Stb. 746 (hierna: KB 746) is vervallen en dat de echtgenoot van appellante zich vanaf die datum niet heeft aangemeld voor de vrijwillige verzekering krachtens, onder meer, de Anw. Voorts is overwogen dat ook op grond van artikel 22 van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (hierna: het Verdrag) geen recht bestaat op een Nederlandse nabestaandenuitkering, nu niet is gebleken dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden verzekerd was krachtens de Marokkaanse wettelijke regelingen.

De rechtbank heeft dit standpunt in de aangevallen uitspraak onderschreven en heeft daarbij opgemerkt dat het bestreden besluit geen betrekking heeft op de toelating tot de vrijwillige verzekering en de eventuele gebrekkige voorlichting daaromtrent.

Appellante heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat zij ervan uitging dat haar echtgenoot verzekerd was krachtens de Anw en dat zij nooit is geļnformeerd over de mogelijkheid van aanmelding voor de vrijwillige verzekering.

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat zij niet bevoegd is om vanaf 1 januari 2000 deel te nemen aan de vrijwillige verzekering ingevolge de Anw ten behoeve van wijlen haar echtgenoot. Desgevraagd heeft de gemachtigde van gedaagde ter zitting aangegeven dat wanneer de echtgenoot van appellante alsnog postuum toegelaten zou worden tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Anw, met volledige terugwerkende kracht teruggekomen zal worden van het bestreden besluit.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of gedaagde terecht heeft geoordeeld dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden op 8 september 2001 niet verzekerd was krachtens de Anw. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 13 van de Anw is verzekerd krachtens die wet degene die ingezetene is of die geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Nu de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden in Marokko woonde en niet meer werkzaam was in Nederland, was hij toen op grond van deze bepaling niet verzekerd.

Voorts was op grond van artikel 26 van KB 746, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2000, kort samengevat, ook verzekerd krachtens de volksverzekeringen degene die buiten Nederland is gaan wonen en op de dag van vertrek een bepaalde Nederlandse uitkering, zoals bijvoorbeeld een WAO-uitkering of een ouderdomspensioen krachtens de AOW, ontving ter hoogte van ten minste een nader omschreven bedrag per maand. Deze bepaling is met ingang van 1 januari 2000 vervallen. Personen, zoals de echtgenoot van appellante, die tot 1 januari 2000 verplicht verzekerd waren krachtens de volksverzekeringen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld zich vanaf 1 januari 2000 vrijwillig te verzekeren krachtens onder meer de Anw. Niet is gebleken dat de echtgenoot van appellante van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Dit betekent dat de echtgenoot van appellante op 8 september 2001 niet meer verzekerd was krachtens de Anw, zodat geen aanspraak kan bestaan op een nabestaandenuitkering krachtens die wet.

Inmiddels heeft gedaagde afwijzend beslist op het verzoek van appellante om alsnog deel te mogen nemen aan de vrijwillige verzekering krachtens de Anw ten behoeve van wijlen haar echtgenoot, omdat haar echtgenoot middels een mailing van 15 augustus 1999 en een nieuwsbrief van februari 2000 is geļnformeerd over de mogelijkheid daartoe en geen tijdige aanmelding heeft plaatsgevonden. Wanneer appellante zich niet kan verenigen met dit besluit kan zij daartegen bezwaar maken bij gedaagde.

Voorts stelt de Raad vast dat door appellante niet is betwist dat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was krachtens de Marokkaanse wetgeving, zodat ook op grond van artikel 22 van het Verdrag geen aanspraak op een Nederlandse nabestaandenuitkering kan bestaan.

Voor wat betreft de ter zitting van de Raad besproken overige internationaal rechtelijke aspecten van dit geschil verwijst de Raad naar hetgeen is overwogen in de uitspraak van 9 december 2005 in de zaak 05/502 Anw, van welke uitspraak een kopie aan deze uitspraak zal worden gehecht.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2005.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) C.D.A. Bos.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x