Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AV4216
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van kinderbijslag. Niet verzekerd. Het begrip "besluit". Niet-ontvankelijk. Huishouding.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/2134 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te Turkije, appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellante heeft mr. K.L. Sett, advocaat te Hilversum, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2005, nummer 03/4795 AKW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 21 oktober 2005, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


[naam echtgenoot], de echtgenoot van appellante, was verzekerd voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en ontving kinderbijslag ten behoeve van hun kind Betul. Op 22 februari 2001 is [naam echtgenoot] overleden. Van dit overlijden heeft appellante de afdeling kinderbijslag van de Sociale verzekeringsbank niet op de hoogte gesteld ten gevolge waarvan de kinderbijslag is doorbetaald tot en met het vierde kwartaal van 2001. Wel heeft appellante via het Turkse verbindingsorgaan SSK bij gedaagde een nabestaandenuitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. Nadat gedaagde was gebleken dat appellantes echtgenoot was overleden heeft gedaagde onderzocht of appellante zelf rechthebbende op kinderbijslag zou kunnen zijn. Aangezien [naam echtgenoot] ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW kon appellante geen recht doen gelden op een uitkering ingevolge die wet en heeft gedaagde bij besluit van 23 mei 2002 aan appellante medegedeeld dat er met ingang van het tweede kwartaal van 2001 geen recht meer op kinderbijslag bestaat omdat zij niet verzekerd is voor de AKW.

Bij besluit van 27 december 2002 heeft gedaagde de ten onrechte aan appellante betaalde kinderbijslag ad € 710,04 teruggevorderd en hierbij tevens beslist over de wijze waarop het bedrag moet worden terugbetaald.
Bij beslissing op bezwaar van 8 september 2003 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 december 2002 niet-ontvankelijk verklaard. Gedaagde heeft hiertoe het volgende overwogen.
"Volgens art 6:4 Awb kan bezwaar worden gemaakt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Onder besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Indien sprake is van een terugvordering op grond van artikel 24 AKW, dat houdt in dat de kinderbijslag die onverschuldigd is betaald door de SVB van de verzekerde wordt teruggevorderd, wordt een besluit afgegeven als bedoeld in artikel 3:41 (lees: 1:3) Awb. Wordt een uitkering op grond van de AKW ten onrechte doorbetaald na het overlijden van de uitkeringsgerechtigde is artikel 24 AKW niet van toepassing. Het besluit tot terugvordering wordt dan niet gezien als een besluit in de zin van artikel 3:41 (lees: 1:3) Awb. In uw geval is de kinderbijslag over het 2e kwartaal 2001 doorbetaald na het overlijden van uw echtgenoot, de heer [naam echtgenoot], op 23 februari 2001. De brief van 27 december 2002 kan dan ook niet gezien worden als een besluit in de zin van artikel 3:41 (lees 1:3) Awb. Het indienen van een bezwaarschrift tegen de brief van 27 december 2002 is niet mogelijk, uw bezwaar tegen de brief van 27 december 2002 moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard."

Ook de rechtbank is van oordeel dat artikel 24 van de AKW geen grondslag biedt voor de terugvordering van een ten onrechte doorbetaalde uitkering aan een niet-meer verzekerde, zoals in het onderhavige geval aan de overleden echtgenoot van appellante, noch voor betalingen aan een niet-verzekerde, zoals appellante, nu geen sprake is van onverschuldigde betaling als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14a van de AKW. Nu appellante niet zelf uitkeringsgerechtigde is bestaat tussen haar en gedaagde geen door het bestuursrecht beheerste relatie. Derhalve is de beslissing van 27 december 2002 niet gericht op publiekrechtelijk rechtsgevolg en daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In geding is de vraag of het besluit van 27 december 2002 een besluit is in de zin van de Awb.

De Raad overweegt als volgt.

Gedaagde heeft in zijn beleidsregels - voorzover hier van belang - neergelegd dat indien een uitkering op een onjuiste rekening wordt gestort of ten onrechte wordt doorbetaald na het overlijden van de uitkeringsgerechtigde de speciale terugvorderingsartikelen, zoals in casu artikel 24 van de AKW, niet van toepassing zijn. In die gevallen is gedaagde bevoegd tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag op grond van artikel 6:203 BW. Bij terugvordering op die grond wordt geen besluit afgegeven als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De in de AKW neergelegde invorderingsbepalingen zijn dan ook niet van toepassing. Gedaagde heeft deze beleidsregels met name gebaseerd op de uitspraak van de Raad van 13 september 1989, RSV 1990, 237, in welke uitspraak de Raad heeft overwogen dat artikel 24 van de Algemene Ouderdomswet (AOW) een bijzondere regeling geeft voor terugvordering van betalingen op grond van de AOW, maar dat deze bepaling geen beschermende werking heeft ten aanzien van betalingen die na het overlijden van de AOW-gerechtigde over daarna gelegen tijd toen er geen aanspraak op verdere betaling meer bestond, zijn gedaan.

De Raad is evenwel van oordeel dat een terugvordering als waarvan in de onderhavige casus sprake is zich wezenlijk onderscheidt van de situatie waarop gedaagde zijn bovenvermelde beleid heeft gebaseerd. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat de uitspraak van 13 september 1989 is gewezen voor de invoering van de per 1 augustus 1996 in werking getreden Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid als gevolg waarvan onder andere de terugvorderingsbepalingen zijn gewijzigd in een verplichting tot terugvordering van iedere onverschuldigde betaling. Zo is in artikel 24 van de AKW - voorzover voor deze casus relevant - bepaald dat de kinderbijslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald door de Sociale verzekeringsbank van de verzekerde, dan wel van degene met wie hij een huishouding vormt, wordt teruggevorderd.
Tegen de achtergrond van het karakter van de AKW als gezinsbijslag is - derhalve anders dan bijvoorbeeld in de AOW - voor gedaagde een bevoegdheid tot terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag gecreëerd van degene met wie de rechthebbende op kinderbijslag een huishouding vormt. Deze bepaling, welke verband houdt met de mogelijke betaling rechtens van de kinderbijslag aan laatstgenoemde persoon, brengt naar het oordeel van de Raad mee dat ook wanneer de kinderbijslag aan een ouder of verzorger is uitbetaald zonder dat deze zelf als verzekerde rechthebbende op de kinderbijslag is, terugvordering mogelijk is. De Raad heeft hierbij mede van belang geacht de in verschillende verdragen neergelegde bepaling dat de kinderbijslag rechtstreeks wordt uitbetaald aan degene die met de verzorging van het kind is belast. De Raad concludeert dat artikel 24 van de AKW voorziet in de mogelijkheid om tot terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag over te gaan van een persoon met wie gedaagde geen directe uitkeringsrelatie heeft, zoals in casu appellante. De beslissing tot terugvordering als waarvan hier sprake is kan daarom een publiekrechtelijke grondslag niet worden ontzegd. Naar het oordeel van de Raad biedt artikel 24 van de AKW voldoende basis voor een door het bestuursrecht beheerste verhouding tussen gedaagde en appellante op grond waarvan de in geding zijnde bevoegdheidsuitoefening door gedaagde moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dat dit anders zou moeten zijn nadat de rechthebbende is overleden en de onverschuldigde betaling na zijn overlijden heeft plaatsgevonden vermag de Raad niet in te zien nu de door het overlijden geëindigde huishouding in het kader van de toepassing van de onderhavige terugvorderingsbepaling op één lijn moet worden gesteld met de huishouding waarop artikel 24 van de AKW doelt.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat gedaagde ten onrechte appellantes bezwaar tegen het besluit van 27 december 2002 niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten, komt in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht voorts termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante, te weten in beroep € 644,- en in hoger beroep € 322,- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 966,- te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht van € 134,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2006.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x