Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AW2543
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag. Betrokkene was op de peildatum niet verzekerd voor de AKW.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/175 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 12 november 2003 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 9 juli 2003, waarbij aan haar kinderbijslag voor haar dochter is geweigerd op de grond dat zij op de eerste dag van het tweede kwartaal van 2003 niet verzekerd was voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 30 november 2004, registratienummer 03/1081, het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante is bij gemachtigde mr. M.M. Menheere, advocaat te Den Haag, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) van 16 februari 2005 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 11 maart 2005, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 januari 2006, waar appellante niet is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen A. van de Weerd, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellante is op 5 april 2001 te Botswana in het huwelijk getreden met een Nederlander. Sedert 22 januari 2002 verblijft appellante hier te lande met haar uit dit huwelijk op 1 december 2001 geboren dochter. Aan haar is op 30 januari 2002 een vergunning tot verblijf verstrekt voor verblijf bij haar echtgenoot. Op 24 januari 2003 heeft appellante met haar dochter de echtelijke woning verlaten en is zij opgevangen door een instelling voor vrouwenopvang. Vanaf 12 juni 2003 beschikt appellante over zelfstandige woonruimte. Bij beschikking van 20 december 2004 is aan haar ingaande 17 oktober 2003 een vergunning tot verblijf verstrekt voor voortgezet verblijf. Hierom had zij op 22 januari 2003 verzocht.

Op 17 februari 2003 heeft appellante verzocht om kinderbijslag voor haar dochter. Hierop heeft gedaagde afwijzend beslist omdat appellante op de peildatum 1 april 2003 niet verzekerd was voor de AKW, in het bijzonder omdat zij op die datum (nog) geen ingezetene was.

Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de AKW wordt waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, naar de omstandigheden beoordeeld.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene, die:
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch terzake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746) bepaalt dat verzekerd op grond van de volksverzekeringen de in Nederland wonende vreemdeling is die na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000 voor de beŽindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating.

Op 1 april 2003 was appellante niet verzekerd voor de AKW op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van deze wet. Voor de beantwoording van de vraag of appellante op die datum verzekerd was op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is naar vaste jurisprudentie in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van een juridische, economische en sociale binding met Nederland. Op het moment dat aan de hand van deze criteria kan worden vastgesteld dat het middelpunt van het maatschappelijk leven in Nederland is komen te liggen, mag worden aangenomen dat er sprake is van ingezetenschap.
Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op de peildatum nog niet het omslagpunt had bereikt waardoor moet worden uitgegaan van ingezetenschap van haar in Nederland. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de juridische binding van appellante op de peildatum zwak was gelet op de beperking waaronder aan haar een vergunning tot verblijf was verleend. Weliswaar had zij daarvoor al verzocht om een vergunning voor voortgezet verblijf, doch op 1 april 2003 bestond daarover nog geen zekerheid. Ook de sociale en economische binding van appellante met Nederland heeft de rechtbank als zwak gekwalificeerd.

In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor een andersluidend oordeel. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de juridische en sociale binding van appellante met Nederland op de peildatum zwak was. Op die datum ontbrak een economische binding, omdat appellante nog niet over zelfstandige woonruimte beschikte en zij voorts was aangewezen op een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet.

Met betrekking tot het beroep van appellante op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1999, inhoudende dat, nu zij voor de peildatum een verblijfstitel had aangevraagd voor voortgezet verblijf, zij op grond van deze bepaling verzekerd was, overweegt de Raad dat gedaagde bij zijn verweerschrift er terecht op heeft gewezen dat appellante op die datum niet in Nederland woonde en reeds op die grond haar beroep op het Besluit moet falen. Naar het oordeel van de Raad komt aan het wonen in Nederland in de zin van artikel 1, eerste lid, van het Besluit geen andere betekenis toe dan aan het wonen in Nederland in de zin van artikel 3, eerste lid, van de AKW.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.


(get.) R.E. Lysen.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x