Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AX6797
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag. Is betrokkene verzekerd voor de AKW? Gezien de stempels in zijn paspoort verblijft betrokkene zes tot tien maanden per jaar in Marokko.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/3965 AKW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 mei 2005, 04/2587 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank [Sociale verzekeringsbank, red.] (hierna: SVB)

Datum uitspraak: 18 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.P.M. Sio, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. C.G. Matze, kantoorgenoot van mr. Sio, en A. Afiri als tolk. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. OVERWEGINGEN


In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de SVB zich bij het herziene besluit op bezwaar van 30 maart 2005 terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant vanaf het vierde kwartaal van 2004 geen recht meer heeft op kinderbijslag omdat hij niet meer verzekerd is voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de wet degene die
a) ingezetene is;
b) geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Niet in geschil is dat appellant op voormelde datum niet ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen.

Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar appellant op de peildatum woonde, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar omstandigheden beantwoord. Naar vaste jurisprudentie van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment waarop gezien deze criteria het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats in Nederland heeft.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op de in geding zijnde peildatum niet gezegd kan worden dat de binding met Nederland dusdanig was dat appellant als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd en overweegt daartoe als volgt.

Appellant is in 1998 voor de tweede maal getrouwd in Marokko, uit welk huwelijk in 1999, 2001 en 2004 kinderen zijn geboren. Vanaf 2001 heeft appellant, gelet op zijn eigen opgave hieromtrent en de stempels in zijn paspoort, gedurende periodes van 6 tot 10 maanden per jaar bij zijn gezin in Marokko verbleven. Dit verblijf werd afgewisseld met verblijven van korte duur in Nederland. Op grond hiervan moet ervan worden uitgegaan dat appellant zich in Marokko heeft gevestigd en dat appellant geen ingezetene meer is in Nederland, tenzij er sprake is van controleerbare feiten en omstandigheden waaruit het tegendeel blijkt. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat zijn juridische, sociale en economische binding met Nederland onveranderd aanwezig zijn en dat de SVB er ten onrechte van uit gaat dat hij niet langer ingezetene is. De Raad ziet met name in het opgeven van zelfstandige woonruimte in Nederland aanknopingspunten voor de conclusie dat het in de bedoeling van appellant heeft gelegen om Nederland te verlaten en zich definitief in een ander land te vestigen. De Raad ziet voorts geen economische binding aanwezig in de WAO-uitkering van appellant nu hij met behoud daarvan voor langere periodes in Marokko mocht verblijven en appellant derhalve voor zijn inkomen niet was gebonden aan verblijf in Nederland. Een economische binding met Marokko acht de Raad daarentegen in meerdere mate aanwezig, nu appellant in Marokko een woning op zijn naam huurt voor zijn gezin aldaar. Dat appellant gezien zijn Nederlandse nationaliteit en aanwezigheid van kinderen en overige familie een sterke juridische en sociale binding met Nederland heeft behouden acht de Raad in het onderhavige geval niet doorslaggevend. Gelet op de Marokkaanse nationaliteit en het overwegend verblijf bij het tweede (jonge) gezin van appellant zijn deze bindingen met Marokko immers ten minste even sterk te noemen. De Raad tekent hierbij aan, dat de beleidsregels van de SVB bepalen dat bij vertrek uit Nederland met de intentie om zich definitief in een ander land te vestigen het uitgangspunt is dat het ingezetenschap eindigt op de datum van het feitelijk vertrek uit Nederland, waarbij het al dan niet definitieve karakter van vertrek moet blijken uit het totaalbeeld van alle relevante juridische, economische en sociale factoren.

Gelet op het totaalbeeld van de juridische, economische en sociale factoren ziet de Raad geen ondersteuning voor de stelling van appellant dat het middelpunt van zijn maatschappelijk leven in Nederland is blijven liggen en dat hij dientengevolge heeft voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te blijven voor de AKW, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Derhalve wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) A. Kovács.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x