Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AX7800
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Nieuw besluit tijdens het hoger beroep: alsnog een tegemoetkoming thuiswonend gehandicapt kind. Instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor wat betreft de periode daarvoor.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1040 AKW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 14 januari 2004, 03/374 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB)

Datum uitspraak: 31 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante, heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 april 2006. Appellante heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Voor SVB zijn verschenen drs. J. Biersteker, werkzaam bij de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, en mr. M. Sturmans, werkzaam bij SVB.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij aanvraag van 8 oktober 2001 heeft appellante verzocht om een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (hierna: TOG) voor haar zoon Jeffrey (geboren in december 1991). Bij Jeffrey is sprake van gedragsproblemen waarvoor in 1997 de diagnose ADHD is gesteld.

SVB heeft die aanvraag - met ingang van het vierde kwartaal van 2000 - bij besluit van 5 juni 2002 afgewezen. Bij besluit van 27 februari 2003 heeft SVB het bezwaar van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat Jeffrey weliswaar beperkt is in zijn dagelijks functioneren maar dat hij niet aanzienlijk meer afhankelijk is van verzorging of oppassing dan een gezond kind van dezelfde leeftijd.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft - kort gezegd - overwogen dat het bestreden besluit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de stukken die door appellante zijn ingezonden geen nieuwe gezichtspunten bieden met betrekking tot de mate van zorgbehoefte van Jeffrey.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch advies dat ten grondslag ligt aan het besluit van 27 februari 2003 niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en geen goed beeld schetst van Jeffrey. Jeffrey is aanzienlijk meer afhankelijk van geregelde oppassing en verzorging dan een gezond kind van dezelfde leeftijd.

In hoger beroep is een besluit van 24 juni 2004 ingezonden waarbij met ingang van het vierde kwartaal van 2002 aan appellante ten behoeve van Jeffrey een tegemoetkoming op grond van de TOG-Regeling is toegekend.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Blijkens het in hoger beroep ingezonden besluit van 24 juni 2004 is appellante met ingang van 10 oktober 2002 alsnog in aanmerking gebracht voor de TOG-regeling. Dit betekent dat over een deel van het tijdvak waarop het besluit van 27 februari 2003 ziet zijnde 1 oktober 2002 tot 27 februari 2003 - alsnog een tegemoetkoming ingevolge de TOG toegekend. Om die reden kan naar het oordeel van de Raad het besluit van 27 februari 2003 geen stand houden en komen dat besluit en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

De vervolgens aan de orde zijnde vraag of er gronden zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor wat betreft de periode vóór 1 oktober 2002 in stand te laten beantwoordt de Raad, gezien het hierna volgende, bevestigend.

In artikel 2 van de TOG 2000 is bepaald dat als kind wordt aangemerkt een persoon tussen de 3 en 18 jaar, die ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard waardoor hij blijvend of voorlopig blijvend gehandicapt is.

In artikel 3 van de TOG 2000 is - kort gezegd - bepaald dat als (voorlopig) blijvend gehandicapt wordt aangemerkt het kind dat (a) aanzienlijk meer afhankelijk is van geregelde verzorging en oppassing dan een gezond kind van dezelfde leeftijd en (b) aanspraak kan maken op opname in een AWBZ-instelling.

Uit de gedingstukken, en wel in het bijzonder de bevindingen van de medisch adviseur A. van de Graaf tijdens het huisbezoek van 10 april 2002, het door appellante ingevulde ’TOG/Medisch vragenformulier’ van 8 oktober 2001 en het door Jeffrey’s huisarts ingevulde (ongedateerde) ’TOG Vragenformulier behandelende sector’, blijkt niet dat Jeffrey ten tijde hier van belang in verband met zijn gedragsproblematiek aanzienlijk meer afhankelijk was van geregelde verzorging en oppassing dan een gezond kind van dezelfde leeftijd.

De door appellante in hoger beroep ingezonden brief van de maatschappelijk werker G. Storck van 17 maart 2004 en de door SVB ingezonden (medische) stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit van 24 juni 2004 leiden de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad wijst er op dat het merendeel van deze gegevens dateert van na het bestreden besluit van 27 februari 2003.

Het voorgaande betekent dat de Raad zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit gedeeltelijk in stand blijven.

De Raad ziet ten slotte aanleiding SVB te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten in beroep worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand en € 12,18 aan reiskosten. De kosten in hoger beroep worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende;

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 27 februari 2003;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven over de periode van 1 oktober 2000 tot 1 oktober 2002;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 978,18 te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 118,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft als voorzitter en R.M. van Male en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2006.

(get.) M.I. ’t Hooft

(get.) R.L. Rijnen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x