Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AX9581
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag. Kan het door de SVB gehanteerde beleid inzake de "driemaandeneis" rechtens standhouden?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/430 AKW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 15 december 2004, 04/1828 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 23 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant heeft mr. T. Scholtus, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2006. Appellant is verschenen met bijstand van mr. T. Scholtus. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant heeft tot en met het vierde kwartaal van 2002 kinderbijslag ontvangen voor zijn kinderen, die in Marokko verblijven bij zijn echtgenote. De Svb is er daarbij van uitgegaan dat deze kinderen behoorden tot het huishouden van appellant, zodat appellant ten aanzien van hen niet aan de zogenoemde onderhoudseis behoefde te voldoen.

Met ingang van 1 januari 2001 heeft de Svb zijn beleid op het punt van het voeren van één huishouden door een verzekerde met zijn in het land van herkomst achtergebleven gezinsleden aangescherpt. Volgens dit beleid komt aan het voortbestaan van het huishouden met de achtergebleven gezinsleden een einde op het moment waarop de betrokkene als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt, tenzij (voorzover hier van belang) ondubbelzinnig vaststaat dat betrokkene mede woonplaats in het land van herkomst heeft. Hiertoe is onder andere vereist dat de betrokkene feitelijk meer dan drie maanden per jaar in het land van herkomst verblijft.

De Svb heeft het aangescherpte beleid - na inachtneming van een overgangstermijn - vanaf het eerste kwartaal van 2003 op appellant toegepast. Bij primair besluit van 12 mei 2003 heeft de Svb over dit kwartaal kinderbijslag aan appellant geweigerd. Bij het bestreden besluit van 16 maart 2004 heeft de Svb de bezwaren van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. De Svb heeft hiertoe overwogen dat de kinderen van appellant niet tot het huishouden van appellant behoren omdat appellant niet ten minste drie maanden per jaar bij zijn gezin in Marokko verblijft. Voorts heeft appellant niet aangetoond, de kinderen in voornoemd kwartaal in belangrijke mate te hebben onderhouden.
De rechtbank heeft het beroep van appellant onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad ongegrond verklaard.

In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden die de Svb thans stelt voor het aannemen van één huishouden, en dat appellant niet kan aantonen, in belangrijke mate in het onderhoud van zijn kinderen te hebben bijgedragen. Het hoger beroep beperkt zich tot de vraag of de in het beleid van de Svb gehanteerde "3-maanden eis" rechtens kan standhouden. Volgens appellant moet deze eis in strijd worden geacht met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, Trb. 1978, 177 (IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154; 1990, 156 (EVRM), nu zij alleen wordt gesteld aan verzekerden van buitenlandse herkomst, terwijl deze verzekerden veelal niet in staat zullen zijn, aan deze eis te voldoen.

De Raad heeft bij de ter zitting besproken uitspraak van 16 september 2005, LJN AU3598, reeds opgemerkt dat artikel 7, eerste lid, van de AKW een onderscheid maakt tussen de situatie waarin de verzekerde met het kind samenwoont en de situatie waarin dat niet het geval is. Alleen in dat laatste geval wordt van een verzekerde verlangd dat hij aantoont of aannemelijk maakt - hetgeen in het eerste geval kennelijk wordt verondersteld - dat hij een bepaalde bijdrage levert in de onderhoudskosten van het kind. Door in dit verband voor een bepaalde groep verzekerden reeds het vormen van een huishouden van verzekerde en kind te aanvaarden, indien de verzekerde en het kind ten minste drie maanden per jaar feitelijk samenwonen, heeft de Svb naar het oordeel van de Raad een uitleg aan de wet gegeven die gebaseerd is op objectieve factoren die niets van doen hebben met een door de artikelen 26 van het IVBPR en 65 van de Euro-mediterrane overeenkomst EG-Marokko (verboden) onderscheid naar nationaliteit. De Raad heeft er in genoemde uitspraak tevens op gewezen dat het gewijzigde beleid er niet toe leidt dat de aanspraak op kinderbijslag aan appellant wordt ontzegd, maar dat hij moet voldoen aan andere voorwaarden om aanspraak op kinderbijslag te behouden.

De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding om thans met het oog op artikel 14 van het EVRM tot een ander oordeel te komen. Het hoger beroep kan derhalve niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2006.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x