Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AY4867
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: In geding zijn nog slechts de in hoger beroep gemaakte proceskosten en niet de door betrokkene geclaimde kosten van de DNA-rapportages.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 02/1852 AKW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 21a van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2002, 00/1359 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 21 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.A. Smits, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 maart 2005 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.

Middels retournering van het zogeheten formulier proceskosten heeft mr. Smits, voornoemd, namens betrokkene aan de Raad verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten.

Appellant heeft bericht zich omtrent de vergoeding van proceskosten te conformeren aan het oordeel van de Raad.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.




II. OVERWEGINGEN


Artikel 21a, eerste lid, eerste volzin, van de Beroepswet bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden veroordeeld in de kosten.

De Raad stelt vast dat appellant het hoger beroep heeft ingetrokken en dat namens betrokkene een verzoek om veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene is gedaan, waarbij tevens is verzocht om vergoeding van de kosten van de in eerste aanleg overgelegde DNA-rapportages.

Voorts stelt de Raad vast dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak reeds heeft beslist ten aanzien van het betaalde griffierecht alsmede de proceskosten die aan de zijde van betrokkene zijn gevallen in verband met de procedure in eerste aanleg. Namens betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij in de proceskostenveroordeling geen vergoeding voor de kosten van de in eerste aanleg overgelegde DNA-rapportages is toegekend. Het hoger beroep van betrokkene is bij uitspraak van de Raad van 14 augustus 2002 (reg. nr. 02/2013) niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet tijdig is betaald. Betrokkene heeft berust in die uitspraak. Dit betekent dat omtrent de proceskosten in eerste aanleg een rechtens onaantastbaar oordeel is gegeven, zodat in dit geding nog slechts de in hoger beroep gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen en niet de door betrokkene geclaimde kosten van de DNA-rapportages.

De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De door de gemachtigde van betrokkene op het formulier proceskosten vermelde eigen bijdragen komen, ingevolge het Bpb, niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking.

Wat betreft het verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht in hoger beroep overweegt de Raad ten slotte dat betrokkene dit griffierecht niet in de onderhavige procedure heeft betaald, maar in het namens betrokkene ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak geregistreerd onder nummer CRvB 02/2013, zodat dit bedrag niet voor vergoeding in aanmerking komt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de kosten van betrokkene tot een bedrag van 322,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2006.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.




Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x