Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AZ3466
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-11-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag met ingang van het kwartaal in geding op de grond dat betrokkene niet meer als ingezetene wordt aangemerkt en derhalve niet meer is verzekerd ingevolge de AKW. Middelpunt van het maatschappelijk leven. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd aangezien de SVB in dit specifieke geval niet zorgvuldig genoeg heeft onderzocht of de sociale binding van betrokkene in Nederland is blijven liggen of zich heeft verplaatst naar - het gezin in - IndonesiŽ.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/2217 AKW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 maart 2006, 05/2423 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 30 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Bij schrijven van 11 april, 22 mei, 25 mei, 28 augustus en 7 september 2006 heeft appellant de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 21 september 2006, waar appellant met voorafgaand schriftelijk bericht, niet is verschenen. De Svb heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank te Leiden.




II. OVERWEGINGEN


Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Appellant is gehuwd en heeft twee dochters, Daphne en Amanda, voor wie hij kinderbijslag ontvangt. De kinderen verblijven bij de echtgenote van appellant in IndonesiŽ. Bij besluit van 14 september 2004 heeft de Svb met ingang van het eerste kwartaal van 2004 het recht op kinderbijslag beŽindigd omdat appellant niet (meer) als ingezetene wordt aangemerkt. Na bezwaar heeft de Svb uiteindelijk bepaald dat appellant wel recht op kinderbijslag heeft over het tweede kwartaal van 2004, aangezien hij op de peildatum van dat kwartaal in Nederland in dienstbetrekking arbeid heeft verricht waarover hij aan de loonbelasting is onderworpen, maar geen recht heeft op kinderbijslag over het eerste en derde kwartaal van 2004.

De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant over het eerste en derde kwartaal van 2004 geen recht heeft op kinderbijslag omdat hij niet meer verzekerd is voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de wet degene die:
a) ingezetene is;
b) geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

De Raad overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat appellant op de peildata van het eerste en derde kwartaal van 2004 niet ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen.

Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Naar vaste jurisprudentie van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment waarop gezien deze criteria het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats in Nederland heeft.

Appellant, die de Nederlandse nationaliteit bezit, werkt voor een in Nederland gevestigde werkgever. Voor zijn werk verblijft appellant voor langere aaneengesloten perioden in het verre oosten, met name in IndonesiŽ. Hoewel appellant voor het verwerven van zijn inkomen niet op Nederland is aangewezen acht de Raad een zekere economische binding met Nederland aanwezig mede in verband met het feit dat appellant over een eigen woning in Nederland beschikt. Met betrekking tot de juridische binding is de Raad van oordeel dat deze gelet op de Nederlandse nationaliteit van appellant aanwezig is. Ten aanzien van de sociale binding met Nederland merkt de Raad op dat appellant deze binding in betekende mate heeft behouden. Voor de Svb is het verblijf van het gezin van appellant in IndonesiŽ van doorslaggevende betekenis geweest voor het antwoord op de vraag of appellant in voldoende mate beschikte over een sociale binding met Nederland. Daarbij is de Svb er ten onrechte van uitgegaan dat appellant, indien hij in IndonesiŽ verblijft, vrijwel uitsluitend bij zijn gezin verblijft. Naar het oordeel van de Raad is het verblijf van appellant in AziŽ primair ingegeven door de aard en omvang van zijn werkzaamheden en - hoewel niet onbelangrijk - niet door het verblijf van zijn gezin in IndonesiŽ. Het vorenstaande wil niet zeggen dat appellant zijn gezin niet met regelmaat bezoekt. Derhalve is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek aangezien de Svb in dit specifieke geval niet zorgvuldig genoeg heeft onderzocht of de sociale binding van appellant in Nederland is blijven liggen of zich heeft verplaatst naar - het gezin in - IndonesiŽ.

Uit het voorgaande volgt dat weigering van kinderbijslag over het eerste en derde kwartaal 2004 op de aangegeven grond geen stand kan houden en dat de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Appellant heeft verzocht om de Svb te veroordelen tot betaling van schadevergoeding alsmede in de kosten van behandeling van dit beroep. Dit verzoek wijst de Raad af omdat met het vorenstaande nog niet vaststaat dat appellant aanspraak kan maken op kinderbijslag over het eerste en derde kwartaal 2004 en derhalve nog niet vaststaat of er schade is geleden. Voorts is de Raad niet gebleken van kosten die op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Derhalve wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van Ä 105,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en H.C. Cusell als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x