Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AZ4369
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De intrekking van het recht op kinderbijslag staat in rechte vast. Zijn de terugvordering en de opgelegde boete juist vastgesteld? Is er sprake van dringende redenen om van de terug- en invordering af te zien?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/4714 AKW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2004, 03/3716 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 8 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 2 november 2006, waar partijen niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 8 juli 2002 heeft de Svb aan de echtgenote van appellant medegedeeld dat zij met ingang van het vierde kwartaal van 1999 geen recht heeft op kinderbijslag voor de kinderen Nour, Ilham en Sarah, omdat deze kinderen uitwonend zijn en niet is aangetoond dat de kinderen door haar in belangrijke mate zijn onderhouden. Bij besluit van eveneens 8 juli 2002 heeft de Svb besloten dat de echtgenote van appellant met ingang van het eerste kwartaal van 2001 geen recht heeft op kinderbijslag voor de kinderen Yasmina en Nisrine, omdat deze kinderen uitwonend zijn en de kinderen niet in belangrijke mate zijn onderhouden.

De besluiten van 8 juli 2002 zijn gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 2 december 2002. In de daarop gevolgde procedure heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit op bezwaar ongegrond verklaard, hetgeen is bevestigd door deze Raad bij uitspraak van 7 oktober 2005. De herziening van het recht op kinderbijslag staat hiermee in rechte vast.

Bij besluit van 19 juni 2003 heeft de Svb van appellant en zijn echtgenote het onverschuldigd betaalde bedrag aan kinderbijslag van in totaal € 4.340,33 teruggevorderd. Voorts is in dat besluit neergelegd dat aan de echtgenote van appellant een boete wordt opgelegd van € 440,- omdat zij de wijziging in de gezinssituatie niet tijdig heeft gemeld. Tevens is in dat besluit beslist omtrent de wijze van betalen van de vordering. Namens de echtgenote van appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit op bezwaar van 5 november 2003 (hierna: het bestreden besluit), gericht aan appellant, heeft de Svb overwogen dat er geen dringende redenen zijn om van de terug- en invordering af te zien. Voorts zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding zouden kunnen geven af te zien van het opleggen van de boete.

De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad heeft geconstateerd dat de aankondiging van de boete in de brief van 8 juli 2002 expliciet is gericht aan de echtgenote van appellant in verband waarmee zij op haar verzoek op 16 juli 2002 is gehoord door de Svb. Ook in het besluit van 19 juni 2003 is de boete opgelegd aan de echtgenote van appellant. In het op naam van appellant gestelde bestreden besluit is onder meer de beslissing met betrekking tot de opgelegde boete gehandhaafd. De Raad kan niet anders concluderen dan dat de beslissing aangaande de boete voorzover bedoeld is deze aan appellant op te leggen als primair besluit dient te worden aangemerkt en dat de Svb nog een beslissing op het namens de echtgenote van appellant ingestelde bezwaar ten aanzien van de aan haar opgelegde boete dient af te geven.

De herziening van het recht op kinderbijslag staat in rechte vast. Hiermee staat tevens vast dat de Svb een bedrag ad € 4.340,33 onverschuldigd heeft betaald. Op grond van artikel 24, eerste lid, van de AKW is de Svb gehouden de onverschuldigd betaalde kinderbijslag terug te vorderen van de verzekerde of degene met wie hij een huishouden vormt. Op grond van artikel 24, vierde lid, van de AKW kan de Svb besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien dringende redenen aanwezig zijn. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen kunnen dringende redenen als hier bedoeld slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de financiële en/of sociale gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Van dergelijke gevolgen is de Raad niet gebleken.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover hierin is beslist ten aanzien van de boete en voorzover het bedrag van de boete is vervat in de invordering. Ook de aangevallen uitspraak moet dienaangaande worden vernietigd. Voor het overige wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. De Svb dient nog een besluit te nemen op het bezwaar van de echtgenote van appellant ten aanzien van de opgelegde boete.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht door de Raad begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op de opgelegde boete en de invordering daarvan;
Verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellant in totaal € 644,-, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het griffierecht ad 133,- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 december 2006.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x