Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AZ4391
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-11-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag op de grond dat betrokkene met ingang van het kwartaal in geding niet meer kan worden aangemerkt als ingezetene van Nederland en hij derhalve niet meer verzekerd is ingevolge de AKW.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6223 AKW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2005, 04/1156 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 30 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Bij schrijven van 6 september 2006 heeft appellant de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 21 september 2006, waar appellant niet is verschenen. De Svb heeft zich doen vertegenwoordigen door mr P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank te Leiden.




II. OVERWEGINGEN


In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de Svb zich bij het besluit op bezwaar van 10 februari 2004 terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van het eerste kwartaal 2000 geen recht meer heeft op kinderbijslag omdat hij niet meer verzekerd is voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de wet degene die:
a) ingezetene is;
b) geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

De Raad overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat appellant met ingang van het eerste kwartaal 2000 niet ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen.

Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Naar vaste jurisprudentie van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment waarop gezien deze criteria het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats heeft in Nederland heeft.

Appellant, die de Nederlandse nationaliteit bezit, leeft sinds 1996 van zijn spaargeld en giften van familie. Sedert 23 januari 1997 woont appellant bij (het gezin van) zijn broer in Duivendrecht. Na verhuizing op 14 augustus 2000 naar Ouderkerk aan den Amstel staat appellant ingeschreven op het adres van deze broer in genoemde gemeente. In 1997 was appellant op vakantie in Polen alwaar hij zijn latere echtgenote ontmoette. Op 21 mei 1998 is in Polen de zoon van appellant geboren en op 18 december 1999 is appellant in Polen getrouwd. In de periode 1998 tot 24 november 2000 verbleef appellant op grond van visa met een geldigheidsduur van drie maanden bij zijn vrouw en zoon in Polen. Op 24 november 2000 is hem een visum voor 2 jaar verleend.

In hoger beroep heeft appellant mede onder verwijzing naar het economisch klimaat in Polen weersproken de opvatting van de Svb dat hij in 1998 vertrokken zou zijn uit Nederland. Daarbij heeft hij aangegeven dat zijn wisselend verblijf in Polen en Nederland weerspiegelt dat hij geen definitieve keuze heeft gemaakt voor vestiging in Polen. Ook de Raad is op grond van de gedingstukken van oordeel dat appellant niet beschouwd kan worden als ware hij vertrokken uit Nederland met het oogmerk zich definitief in een ander land te vestigen.
Voorts is de Raad van oordeel dat op grond van de feiten en omstandigheden zoals die uit de stukken blijken, niet gezegd kan worden dat er op de in geding zijnde peildatum sprake was van ingezetenschap in de zin van artikel 2 van de AKW. Hoewel aan appellant kan worden toegegeven dat zijn juridische binding met Nederland voldoende sterk kan worden geacht, moet de Raad vaststellen dat de economische binding van appellant zwak is aangezien hij op de peildatum niet beschikte over zelfstandige woonruimte in Nederland en hij voor zijn inkomen niet gebonden was aan een verblijf in Nederland. Ook appellants binding met Nederland in sociaal opzicht acht de Raad onvoldoende aangezien hij in overwegende mate in zijn huis in Polen bij zijn gezin verbleef.

Gelet op het totaalbeeld van de juridische, economische en sociale factoren ziet de Raad geen ondersteuning voor de stelling van appellant dat het middelpunt van zijn maatschappelijk leven in Nederland is blijven liggen en dat hij dientengevolge heeft voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te blijven voor de AKW, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Met betrekking tot de in beroep onbeantwoord gebleven vraag van appellant om in aanmerking te komen voor tweevoudige kinderbijslag over de toegekende kinderbijslag over het tweede tot en met vierde kwartaal van 1999 merkt de Raad op dat ingevolge artikel 7 van de AKW recht op tweevoudige kinderbijslag bestaat indien een kind grotendeels door de verzekerde wordt onderhouden en - onder de in het derde lid, onder a, van artikel 7 van de AKW genoemde voorwaarden - niet tot het huishouden van de verzekerde behoort. Uit het bestreden besluit van 10 februari 2004 blijkt dat de Svb appellant over het tweede kwartaal 1999 tot en met het vierde kwartaal 1999 verzekerd acht voor de AKW en dat de Svb er vanuit is gegaan dat appellant, gelet op het feit dat hij in 1999 meer in Polen verbleef dan in Nederland, feitelijk zijn verblijf had in Polen bij zijn vrouw en zoon Lew. Op grond hiervan heeft de Svb bij het bestreden besluit geconcludeerd dat Lew tot het huishouden van appellant behoort. Naar het oordeel van de Raad vloeit hieruit voort dat appellant niet in aanmerking komt voor tweevoudige kinderbijslag over het tweede tot en met vierde kwartaal 1999.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Derhalve wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en H.C. Cusell als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x