Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AZ6564
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de kinderbijslag op de grond dat betrokkene heeft verzuimd te melden dat de vader van haar kind in Duitsland recht heeft op Duitse kinderbijslag. Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. Samenlopende rechten op gezinsbijslagen uit verschillende EU-lidstaten (communautaire anticumulatiebepalingen).
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/1087 AKW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Duitsland) (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 januari 2004, 02/3805 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 22 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. S. van Loenhout, juridisch adviseur te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Bij brief van 30 mei 2006 heeft mr. Van Loenhout de Raad medegedeeld niet langer als gemachtigde van appellante op te treden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2006. Appellante is, daartoe opgeroepen, in persoon verschenen. De Svb heeft zich - daartoe eveneens opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen - laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.




II. OVERWEGINGEN


Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en de bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellante, die wegens psychische klachten sedert 1994 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangt, heeft tot en met het derde kwartaal van 2001 kinderbijslag ontvangen voor haar dochter [naam dochter], geboren op [in] 1996.

Naar aanleiding van een anonieme tip is door (de rechtsvoorganger van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een opsporingsonderzoek gestart, omdat appellante mogelijk in Duitsland (samen) zou wonen en daar wellicht werkzaamheden zou verrichten die zij niet heeft gemeld.

In het rapport werknemersfraude van 26 april 2001 is (onder meer) de conclusie getrokken dat appellante met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vanaf 25 november 1996 grotendeels of geheel woonachtig is in Duitsland bij de vader van [naam dochter], [vader van de dochter]. Verder komt uit het rapport naar voren dat [vader van de dochter] in Duitsland van het Arbeitsambt Trier voor [naam dochter] kinderbijslag ontvangt.

Als reactie op dit door het Uwv aan de Svb gezonden rapport, heeft de Svb appellante bij besluit van 21 augustus 2001 medegedeeld dat zij over het vierde kwartaal van 1996 tot en met het vierde kwartaal van 2000 geen recht heeft op kinderbijslag voor [naam dochter], omdat zij op de peildatum, 1 oktober 1996, niet verzekerd was. Bij besluit van 19 oktober 2001 is medegedeeld dat de te veel ontvangen kinderbijslag, ten bedrage van fl 5.466,00, wordt teruggevorderd en dat een boete wordt opgelegd van fl 550,00 omdat appellante heeft verzuimd te melden dat de vader van [naam dochter] in Duitsland recht heeft op Duitse kinderbijslag.

Bij besluit van 12 juli 2002 (hierna: bestreden besluit I) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 augustus 2001 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat appellante vanaf 1 oktober 1996 (grotendeels of geheel) in Duitsland woont, maar omdat zij WAO-gerechtigd is, verzekerd is voor de AKW. Omdat op grond van de anticumulatiebepalingen van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: Vo. 1408/71), het van belang is te weten of [vader van de dochter] werkzaamheden in Duitsland verricht (of verrichtte), is appellante - meermalen - om informatie verzocht, die zij geweigerd heeft te verstrekken. Gelet hierop heeft de Svb op grond van artikel 14a, eerste lid, aanhef en sub c, van de AKW het recht op kinderbijslag herzien met ingang vanaf het vierde kwartaal van 1996.
Bij besluit op bezwaar van eveneens 12 juli 2002 (hierna: bestreden besluit II), heeft de Svb appellantes bezwaar tegen het terugvorderings- en boetebesluit van 19 oktober 2001 ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellante - kort samengevat - naar voren gebracht dat zij terecht kinderbijslag heeft ontvangen voor [naam dochter], omdat zij destijds (met [naam dochter]) in Nederland woonde, en de vader van [naam dochter] in Duitsland. Dat de vader van [naam dochter], met wie appellante naar eigen zeggen gedurende die periode een 'knipperlichtrelatie' had, kinderbijslag voor [naam dochter] ontving in Duitsland, was haar niet bekend. Zij kon naar haar mening - daargelaten dat haar de relevantie van die gegevens ontging - dan ook niet beschikken over de door de Svb opgevraagde gegevens betreffende de (eventuele) werkzaamheden van [vader van de dochter], omdat die niet binnen haar bereik vielen. Ook heeft zij de Svb op de hoogte gesteld van haar emigratie naar Duitsland in het najaar van 1999, zodat haar niets verweten kan worden. Gelet hierop verzoekt zij de rechtbank het terugvorderingsbesluit te vernietigen.

De rechtbank heeft appellantes beroep tegen het bestreden besluit I ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Svb daarbij terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellante, door de informatie betreffende de werkzaamheden van haar echtgenoot niet te verstrekken, de informatieplicht van artikel 15 van de AKW heeft geschonden en dat dientengevolge niet kan worden vastgesteld of recht op kinderbijslag bestaat.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte alleen een oordeel heeft gegeven over het bestreden besluit I, en niet over bestreden besluit II. Verder heeft appellante de in eerdere instantie aangevoerde grieven in essentie herhaald.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt allereerst vast dat appellante heeft nagelaten bij het beroepschrift in eerste aanleg - ook - een afschrift van het eveneens op 12 juli 2002 gedateerde bestreden besluit II te voegen, en dat de rechtbank haar op dat verzuim niet heeft gewezen. Een uitnodiging om dit vormverzuim te herstellen kon naar het oordeel van de Raad in dit geval achterwege blijven, aangezien zich onder de gedingstukken een door het bestuursorgaan overgelegd afschrift van dit besluit bevindt, en daarbij buiten redelijke twijfel staat dat dit besluit ook wordt bestreden. De rechtbank heeft, door geen uitspraak te doen in het beroep tegen het bestreden besluit II, het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), miskend. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden vernietigd. De Raad acht, gelet op het hiernavolgende, in het onderhavige geval geen termen aanwezig om de zaak in zoverre terug te wijzen naar de rechtbank Amsterdam.

Ten aanzien van het bestreden besluit I, overweegt de Raad als volgt.

Met betrekking tot de bij het bestreden besluit gehanteerde peildatum van 1 oktober 1996, merkt de Raad op dat hij, gelet op de uit de gedingstukken naar voren komende gegevens, de Svb niet kan volgen in het standpunt dat appellante in oktober 1996 haar hoofdverblijf zou hebben verplaatst naar Duitsland. De Raad overweegt daartoe dat het oordeel van de Svb in dezen (in hoofdzaak) rust op het door het Uwv ingezonden frauderapport van 26 april 2001. In dit rapport wordt geconcludeerd dat appellante met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vanaf 25 november 1996 grotendeels of geheel in Duitsland woonde. Hieraan ligt (met name) ten grondslag een verhuisbericht van appellante, waarin wordt aangekondigd dat appellante, [naam dochter] en [vader van de dochter] vanaf 25 november 1996 wonen op een adres te [woonplaats in Duitsland]. Nu de gedingstukken verder geen aanknopingspunten bieden voor het standpunt dat appellante eerder dan die datum haar hoofdverblijf naar Duitsland zou hebben verplaatst, is naar het oordeel van de Raad het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd.

Aan het bestreden besluit I heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellante, ondanks verschillende verzoeken daartoe, geen informatie heeft verschaft over de (eventuele) werkzaamheden in Duitsland van de vader van [naam dochter], [vader van de dochter], met wie appellante sedert 29 augustus 2001 is gehuwd.

In artikel 14a, eerste lid, aanhef en onder c, van de AKW, waarop bestreden besluit I is gebaseerd, is onder meer bepaald dat de Svb een besluit tot toekenning van kinderbijslag herziet, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15 van de AKW ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op kinderbijslag bestaat. Ingevolge artikel 15 van de AKW is de verzekerde verplicht aan de Svb op haar verzoek alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kunnen zijn op het recht op kinderbijslag, de hoogte van de kinderbijslag, of op het bedrag van de kinderbijslag dat wordt uitbetaald.

Naar het oordeel van de Raad vormt artikel 14a, eerste lid, aanhef en onder c, van de AKW geen houdbare juridische grondslag van bestreden besluit I.

Daartoe stelt de Raad vast dat sprake is van samenlopende rechten op gezinsbijslagen uit verschillende lidstaten. Zowel appellante als haar (inmiddels) echtgenoot hebben voor eenzelfde kind over eenzelfde tijdvak kinderbijslag ontvangen ingevolge de wettelijke regeling van twee lidstaten. De Vo. 1408/71 (bezien in samenhang met de verordening (EEG) nr. 574/72 (hierna: Vo. 547/72) tot vaststelling van de wijze van toepassing van de Vo. 1408/71), die als uitgangspunt kent dat er voor eenzelfde kind over eenzelfde periode maar n keer kinderbijslag kan worden ontvangen, voorziet in bepalingen die in een dergelijk geval aangeven welke lidstaat bevoegd is tot (gehele of gedeeltelijke) schorsing van het recht op kinderbijslag. In dit verband is het voor de Svb (onder meer) van belang om vast te stellen of [vader van de dochter] in Duitsland beroepswerkzaamheden verrichtte.

De omstandigheid dat appellante niet in staat was de door de Svb gevraagde gegevens betreffende [vader van de dochter] te verstrekken, dan wel dat zij om haar moverende redenen heeft nagelaten die informatie te verschaffen, kan er niet toe leiden dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op kinderbijslag bestaat. Die informatie zou op grond van de communautaire anticumulatiebepalingen - eventueel - tot een gehele of gedeeltelijke schorsing van het recht op kinderbijslag ingevolge de AKW kunnen leiden. Artikel 14a, eerste lid, aanhef en onder c, van de AKW, is in een geval als het onderhavige niet van toepassing.

Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit I, dat ziet op de intrekking van het recht op kinderbijslag met terugwerkende kracht, niet berust op een deugdelijke grondslag. Daarmee komt tevens de grond te ontvallen aan het bestreden besluit II, waarbij de aan appellante betaalde kinderbijslag over de periode van 1 oktober 1996 tot 1 januari 2001 wordt teruggevorderd, en waarbij een boete is opgelegd.

Uit het bovenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, de bestreden besluiten vernietigen en de Svb opdragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen.

Met het oog op de nadere besluitvoering merkt de Raad op dat op basis van de (thans) beschikbare gegevens tot uitgangspunt kan worden genomen dat appellante per 25 november 1996 haar hoofdverblijf heeft verplaatst naar Duitsland. Hiertoe wijst de Raad op het verhuisbericht van appellante, waarin wordt aangekondigd dat appellante, [naam dochter], en [vader van de dochter] vanaf 25 november 1996 wonen te Bernkastel-Kues. In die gemeente is, zo blijkt uit de door de Svb van die gemeente ontvangen informatie, [naam dochter] per 1 december 1996 ingeschreven. Vanaf 25 november 1996 kan dan ook naar het oordeel van de Raad van appellante in redelijkheid worden gevergd gegevens te verstrekken - zoals die betreffende de werkzaamheden van haar partner - die relevant zijn voor de toepassing van de communautaire anticumulatiebepalingen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, en op 140,- voor gemaakte reiskosten, tezamen 462,-.
De vordering van vergoeding van de proceskosten in bezwaar komt - naar vaste jurisprudentie - reeds voor afwijzing in aanmerking omdat de primaire besluiten dateren van vr de inwerkingtreding op 12 maart 2002 van artikel 7:15 van de Awb en niet kan worden gezegd dat deze tegen beter weten in zijn genomen.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank opnieuw op de bezwaarschriften beslist met inachtneming van het hiervoor overwogene;
Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellante tot een bedrag van 462,- te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht van totaal 116,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van de Kade als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x