Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
AZ6949
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht kinderbijslag geweigerd omdat betrokkene (nog) niet verzekerd is voor de AKW? De sociale en juridische binding van betrokkene en zijn gezin met Nederland op de peildatum is als sterk te kwalificeren.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5163 AKW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 juli 2005, 04/1201 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB).

Datum uitspraak: 11 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2006. Voor appellant is verschenen mr. F.E. van Nisselrooij, advocaat te Zutphen. Voor de SVB is verschenen A. van der Weerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 23 augustus 2004 heeft de SVB gehandhaafd zijn besluit van 7 mei 2004, waarbij appellant is medegedeeld dat hij met ingang van het eerste kwartaal van 2004 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat hij (nog) niet verzekerd is voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 23 augustus 2004 ongegrond verklaard. In haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en de SVB als verweerder, heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:
“Eiser en zijn echtgenote zijn beiden in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Beiden zijn in Nederland geboren. Eiser en zijn echtgenote hebben drie kinderen, geboren in 1988, 1991 en 1994. Eiser en zijn echtgenote zijn vanaf april 1991 in Frankrijk woonachtig geweest en zijn daar werkzaam geweest in het onderwijs. Op 5 september 2003 is eiser samen met zijn echtgenote en kinderen teruggekeerd naar Nederland. De kinderen gaan vanaf september 2003 in Nederland naar school. Eiser en zijn echtgenote hebben over de periode van 1 september 2003 tot en met 30 november 2003 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Deze uitkering is aan hen toegekend op grond van het bepaalde in artikel 69, eerste lid, onder c van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. Vanaf 1 december 2003 hebben eiser en zijn vrouw een bijstandsuitkering ontvangen. Bij besluit van 28 januari 2004 heeft verweerder besloten dat eiser met ingang van 1 oktober 2003 recht heeft op kinderbijslag onder de overweging dat eiser op de peildatum van het vierde kwartaal van 2003 geacht wordt verzekerd te zijn voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) omdat hij van 1 september 2003 tot en met 30 november 2003 een Nederlandse WW-uitkering ontving. Eiser heeft vanaf het tweede kwartaal van 2004 weer kinderbijslag ontvangen. Ingevolge artikel 6 van de AKW is iemand verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet indien degene ingezetene is of geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
Niet in geschil is dat eiser vanaf zijn terugkomst in Nederland tot op de peildatum, 1 januari 2004 (de eerste dag van het eerste kwartaal van 2004), in Nederland geen arbeid (in loondienst) heeft verricht. Het geschil spitst daarom primair toe op de vraag of eiser op 1 januari 2004 kan worden aangemerkt als ingezetene van Nederland ingevolge de AKW. Ingevolge artikel 2 van de AKW is een ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag waar iemand woont wordt ingevolge artikel 3, eerste lid, van de AKW beoordeeld naar de omstandigheden. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van juridische, economische en sociale binding van de betrokken persoon, Nederlander dan wel niet-Nederlander, met Nederland. Op het moment dat aan de hand van deze criteria kan worden vastgesteld dat het middelpunt van het maatschappelijk leven in Nederland is komen te liggen, mag worden aangenomen dat de betrokken persoon zijn/haar woonplaats in Nederland heeft.
(...)
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet met ingang van de datum van zijn aankomst in Nederland als ingezetene kan worden beschouwd. Na een langdurig verblijf in het buitenland zal, ondanks de intentie van een persoon zich blijvend in Nederland te vestigen en de omstandigheid dat die persoon altijd contact heeft gehouden met familie en vrienden in Nederland, niet licht kunnen worden aangenomen dat het middelpunt van zijn maatschappelijk leven - in geval van een zwakke economische binding - direct bij aankomst in Nederland ligt. In een dergelijk geval zal de binding met Nederland moeten worden opgebouwd.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor eiser op de peildatum sprake is van een sterke juridische binding, aangezien hij vanaf zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft.
Voorts is niet in geschil dat eiser met zijn gezin, waaronder schoolgaande kinderen, weer terug is gekomen naar Nederland met de bedoeling zich daar definitief te vestigen. Gelet hierop en nu zowel de familie van eiser als de familie van zijn echtgenote in Nederland wonen, is de rechtbank van oordeel dat eiser op relatief korte termijn weer een zodanig sociaal netwerk heeft opgebouwd dat er sprake is van een sterke sociale binding met Nederland.
De rechtbank is verder van oordeel dat op de peildatum sprake was van een zwakke economische binding met Nederland omdat eiser op dat moment geen arbeid in Nederland verrichtte en financieel geheel afhankelijk was van een bijstandsuitkering. Verder had hij op dat moment geen eigen woonruimte maar woonde hij in bij familie.
(...)
Nu op 1 januari 2004 sprake was van een groeiende sociale binding en een zwakke economische binding met Nederland, heeft verweerder op goede gronden besloten dat het middelpunt van eisers maatschappelijk leven op 1 januari 2004 (nog) niet in Nederland was. Dit heeft tot gevolg dat eiser voor het eerste kwartaal van 2004 niet kan worden aangemerkt als ingezetene van Nederland in de zin van de AKW en derhalve niet verzekerd was overeenkomstig de bepalingen van deze wet.”

Hoewel de Raad de overwegingen van de rechtbank onderschrijft dat appellant niet direct bij terugkeer in Nederland al als ingezetene kon worden beschouwd, komt de Raad met betrekking tot de situatie op de peildatum 1 januari 2004 nochtans tot een andere afweging dan welke de rechtbank heeft gemaakt. De Raad heeft in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende aanknopingspunten gevonden om de sociale binding van appellant en zijn gezin met Nederland op deze datum als sterk te kwalificeren. In aanmerking nemende dat appellant eveneens een sterke juridische binding met Nederland heeft, acht de Raad het gegeven dat er op 1 januari 2004 (nog net) geen sprake was van een economische binding, van onvoldoende gewicht om geen ingezetenschap van appellant op deze datum aan te nemen. Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat van enige binding met Frankrijk geen sprake meer was.

Gelet op het hiervoor overwogene komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het besluit van de SVB van 23 augustus 2004 en de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven.

Aangezien thans als vaststaand kan worden aangenomen dat het niet toekennen van kinderbijslag aan appellant over het eerste kwartaal van 2004 onrechtmatig was, komt het verzoek van appellant om de SVB te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade bestaande uit wettelijke rente over de te betalen kinderbijslag voor inwilliging in aanmerking. Met betrekking tot de berekening van deze schade volstaat de Raad met te verwijzen naar zijn uitspraak van 3 maart 1999, gepubliceerd in USZ 1999/125 en RSV 1999/155.

De Raad overweegt tot slot dat het verzoek van appellant om de SVB te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten eveneens voor inwilliging in aanmerking komt. Deze kosten worden begroot op € 1.288,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep. Met betrekking tot de kosten van het bezwaar merkt de Raad op dat een verzoek tot vergoeding van die kosten niet is gedaan voordat de SVB op het bezwaar heeft beslist.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 augustus 2004;
Veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding van schade als hiervoor aangegeven;
Veroordeelt de SVB in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door de Sociale Verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale Verzekeringsbank het door appellant betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en H.C. Cusell als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x