Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
BA0123
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-03-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Kan betrokkene op de peildatum van het derde kwartaal 2004 als verzekerd in de zin van de AKW worden aangemerkt? Kan worden gezegd dat de binding met Nederland dusdanig was dat betrokkene als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 06/1889 AKW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 17 februari 2006, 05/169 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 1 maart 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dodrecht, hoger beroep ingesteld. Bij schrijven van 9 mei 2006 zijn namens appellante de gronden van het hoger beroep ingediend.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2007, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker, voornoemd. De Svb heeft zich met voorafgaand schriftelijk bericht niet doen vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Partijen zijn in dit geding verdeeld over het antwoord op de vraag of appellante op de peildatum van het derde kwartaal 2004 als verzekerd in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de wet degene die:
a) ingezetene is;
b) geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Niet in geschil is dat appellante op de peildatum niet ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen.

Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Naar constante jurisprudentie van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment waarop gezien deze criteria het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats heeft in Nederland heeft.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op de in geding zijnde peildatum niet gezegd kan worden dat de binding met Nederland dusdanig was dat appellante als ingezetene kan worden beschouwd.

Naar het oordeel van de Raad had appellante, die sedert 23 oktober 2000 in Nederland verblijft, een zwakke juridische binding aangezien aan haar op 24 oktober 2003 een verblijfsvergunning is toegekend voor bepaalde tijd voor medische behandeling over de periode 10 oktober 2003 tot 10 oktober 2004. De beperking die aan de verblijfsvergunning is verbonden duidt namelijk op een tijdelijk verblijf in Nederland.
Voorts verbleef appellante op de peildatum in een asielzoekerscentrum op grond waarvan zij recht had op zak- en kleedgeld. Omdat appellante niet beschikte over zelfstandige woonruimte en over een volwaardige bron van inkomsten kan naar het oordeel van de Raad niet staande worden gehouden dat er een economische binding met Nederland aanwezig was.
Ten aanzien van de sociale binding van appellante met Nederland op de peildatum is de Raad van oordeel dat deze zwak is omdat appellante geen familie in Nederland heeft, zij geen lid was van een vereniging of kerkgenootschap en geen (inburgerings)cursus of andere opleiding volgde.

Aan het bovenstaande kan niet afdoen het feit dat appellante reeds drie jaar in Nederland verbleef. Hoewel een gerealiseerde verblijfsduur van drie jaar in het kader van de juridische binding een positieve aanwijzing kan vormen voor het aannemen van ingezetenschap merkt de Raad op dat in verband met de zwakke sociale binding en het ontbreken van een economische binding appellante op de peildatum niet als ingezetene kan worden beschouwd.

Gelet op het vorenstaande stelt de Raad vast dat de Svb, de juridische, economische en sociale binding in onderlinge samenhang bezien, terecht en op goede gronden het bestreden besluit heeft genomen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2007.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.E. Lysen.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x