Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
BA0376
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-02-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag op de grond dat betrokkene met ingang van het kwartaal in geding niet verzekerd is voor de AKW. De betreffende brief dient te worden aangemerkt als bezwaarschrift omdat uit deze brief onmiskenbaar blijkt dat betrokkene het niet eens is met het bestreden besluit. De SVB dient alsnog een besluit op bezwaar te nemen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/2291 AKW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 maart 2005, 03/2982 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 23 februari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.J.J.A. Hendriks, advocaat te Deurne, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 28 november 2006 heeft mr. Hendriks aan de Raad laten weten dat appellant is uitgezet naar Marokko.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2007. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Xhonneux.




II. OVERWEGINGEN


Appellant heeft bij formulier gedagtekend 15 november 2001 kinderbijslag aangevraagd voor zijn kinderen Nadia, Rachida en Najda. Bij besluit van 17 april 2002 heeft de Svb aan appellant laten weten dat hij met ingang van het vierde kwartaal van 2001 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat hij met ingang van dat kwartaal niet verzekerd is voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

Bij brief van 6 mei 2002 heeft de Stichting Welzijnsbevordering naar aanleiding van dit besluit namens appellant aan de Svb als volgt bericht:

“Wellicht is een formeel bezwaarschrift niet nodig, daar enkele recente zaken bij u kennelijk onbekend zijn:

a. De heer [appellant] heeft (...) een zgn. sticker in zijn paspoort ontvangen: (verblijfsvergunning tot uitspraak op bezwaar).
b. Cadans (...) had de WAO-uitkering beëindigd, maar na ons verzoek is deze nu (…) weer gecontinueerd in verband met rechtsgeldig verblijf tot de uitspraak op bezwaar qua zijn verblijfsvergunning.

Wegens bovenstaande verzoeken wij u om herstel.”

In een telefoonnotitie van de behandelend medewerker van de Svb van 15 mei 2002 staat: “Inderdaad verzekerd ingevolge de WAO-uitkering.” Aan de Stichting is verzocht na te gaan of er meer betalingsbewijzen voorhanden zijn en of er ook ontvangstbewijzen zijn. Bij brief van 3 juni 2002 heeft de Stichting hierop gereageerd, waarop vervolgens door de Svb bij brief van 27 juni 2002 is gereageerd.

Bij brief van 6 januari 2003 heeft appellant geïnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot zijn bezwaar tegen het besluit van 17 april 2002. Bij brief van 16 februari 2003 heeft appellant zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek om kinderbijslag nader toegelicht.

Bij besluit van 4 augustus 2003 heeft de Svb laatstgenoemde brief aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 17 april 2002. Aangegeven wordt dat deze beschikking inmiddels onaantastbaar is geworden. Nu geen nova zijn aangedragen wordt niet teruggekomen op deze beschikking.

Bij brief van 16 augustus 2003 is door appellant aangegeven dat tegen het besluit van 17 april 2002 bij brief van 6 mei 2002 bezwaar is gemaakt. Op dat bezwaar is nog geen beslissing genomen. Het besluit van 17 april 2002 is dan ook niet rechtens onaantastbaar geworden. Verzocht wordt om een beslissing op bezwaar tegen het besluit van 17 april 2002.

Bij besluit van 18 september 2003 heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep is namens appellant aangevoerd dat de brief van 6 mei 2002 van de Stichting Welzijnsbevordering ten onrechte door de Svb niet is aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 17 april 2002. Nu op dit bezwaarschrift nog geen beslissing is genomen, heeft dit besluit geen formele rechtskracht gekregen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb terecht de brief van 6 mei 2002 niet heeft aangemerkt als een bezwaarschrift. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben partijen in essentie hun eerder aangedragen stellingen herhaald.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt voorop dat bij het besluit van 17 april 2002 door de Svb is geweigerd om aan appellant kinderbijslag toe te kennen voor zijn drie kinderen. Uit de namens appellant verstuurde brief van 6 mei 2002 blijkt onmiskenbaar dat appellant het niet eens is met dit besluit. Er worden gronden aangevoerd die duidelijk moeten maken dat dit besluit onjuist is. Tenslotte wordt verzocht om herstel. Naar het oordeel van de Raad dient te worden geconcludeerd dat met de brief van 6 mei 2002 namens appellant door de Stichting Welzijnsbevordering bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 17 april 2002. De Raad voegt hieraan toe dat uit een oogpunt van zorgvuldigheid de Svb zich, bij onduidelijkheid omtrent inhoud en/of strekking van een geschrift, tot de belanghebbende dient te wenden teneinde zich opheldering te verschaffen omtrent diens bedoelingen.

Uit het voorgaande blijkt dat het bestreden besluit, en de uitspraak van de rechtbank waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen. De Raad zal, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens het primaire besluit van 4 augustus 2003 herroepen. De Svb zal alsnog op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 april 2002 dienen te beslissen. De Raad vertrouwt erop dat de Svb dienaangaande op korte termijn een beslissing neemt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Herroept het primaire besluit van 4 augustus 2003;
Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door de Sociale verzekeringsbank, waarvan € 322,- te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde griffierecht van € 134,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2007.

(get.) H.J. Simon.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x