Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
BA3674
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-04-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag voor betrokkenes aangehuwde, in Turkije wonende kinderen met ingang van het kwartaal in geding, omdat betrokkene niet heeft aangetoond de kinderen in belangrijke mate te hebben onderhouden.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/5053 AKW, 04/5054 AKW en 05/89 AKW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2004, 03/2991 en 04/794 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 13 april 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J. Roose, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft mr. Roose bij brief van 5 november 2004 een nieuw besluit van de Svb in het geding gebracht.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 maart 2007, waar partijen, met kennisgeving, niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Appellant is woonachtig in Nederland. Op 15 maart 2002 is hij in Turkije gehuwd met [C.]. Sindsdien heeft appellant gedurende diverse tijdvakken in Turkije verbleven. Zijn echtgenote is in 2002 ook enige tijd in Nederland geweest en heeft hier te lande op 1 oktober 2002 een vergunning tot verblijf bij partner aangevraagd. Zij is nadien echter (vooralsnog) in Turkije blijven wonen met haar kinderen [H.], geboren [in] 1993, [E.S.], geboren [in] 1995 en [U.], geboren [in] 1998.

Op 16 oktober 2002 heeft appellant een aanvraag om kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ingediend bij de Svb, ten behoeve van zijn hiervoor genoemde - aangehuwde - kinderen.

Bij besluit van 27 mei 2003 heeft de Svb geweigerd kinderbijslag aan appellant toe te kennen voor zijn aangehuwde kinderen met ingang van het vierde kwartaal van 2002, omdat appellant niet heeft aangetoond de kinderen in belangrijke mate te hebben onderhouden. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 27 augustus 2003 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard.

Bij besluit van 29 september 2003 heeft de Svb geweigerd kinderbijslag aan appellant toe te kennen voor zijn aangehuwde kinderen over het tweede en derde kwartaal van 2002. Het tegen dit besluit aangevoerde bezwaar heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 18 maart 2004 (hierna: besluit 2) ongegrond verklaard.

Bij besluiten van 5 augustus en 14 oktober 2003 heeft de Svb geweigerd kinderbijslag aan appellant toe te kennen voor zijn aangehuwde kinderen over respectievelijk het tweede en derde kwartaal van 2003. De tegen deze besluiten aangevoerde bezwaren heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 10 februari 2004 (hierna: besluit 3) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard een oordeel te geven ten aanzien van besluit 1, voor zover dit betrekking heeft op de aanspraken op kinderbijslag van appellant over het eerste kwartaal van 2003 en heeft de Svb opgedragen daaromtrent alsnog een beslissing op bezwaar te nemen. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 2 op grond van formele gebreken gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de Svb opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De beroepen van appellant tegen besluit 3 en, voor het overige, tegen besluit 1 heeft de rechtbank ongegrond verklaard, overwegende dat appellant niet op eenvoudig te controleren wijze heeft aangetoond zijn kinderen in belangrijke mate te hebben onderhouden.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat hij voor het eerst op 18 oktober 2002 is geïnformeerd over de voorwaarden voor aanspraak op kinderbijslag, zodat onmogelijk van hem kan worden verwacht dat hij over tijdvakken gelegen voor die datum kan aantonen te hebben voldaan aan zijn onderhoudsplicht. Ten aanzien van de nadien gelegen kwartalen is appellant van oordeel dat hij in voldoende mate heeft aangetoond dat hij heeft voldaan aan de onderhoudsbijdrage. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat hij gedurende diverse tijdvakken langdurig bij de kinderen heeft verbleven en dat hij diverse bewijsstukken heeft overgelegd van betalingen en geldopnames in Turkije ten behoeve van de kinderen.

Bij beslissing op bezwaar van 23 september 2004 (hierna: besluit 4) heeft de Svb de besluiten van 27 augustus 2003 en 29 september 2003, met betrekking tot de aanspraak op kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2003 en het tweede en derde kwartaal van 2002, ongewijzigd gehandhaafd.

De Raad heeft besluit 4 met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken in deze procedure.

De Raad overweegt het volgende.

Voorop moet worden gesteld dat appellant de aangevallen uitspraak slechts heeft aangevochten voor zover betrekking hebbend op de weigering van kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2002 en het tweede en derde kwartaal van 2003. Voorts heeft de Svb bij besluit 4 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen met betrekking tot de aanspraak op kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van 2002 en het eerste kwartaal van 2003. Tussen partijen is derhalve in hoger beroep in geschil of de Svb terecht heeft besloten dat appellant over het tweede kwartaal van 2002 tot en met het derde kwartaal van 2003 geen recht heeft op kinderbijslag voor zijn in Turkije verblijvende aangehuwde kinderen.

Met betrekking tot dit geschilpunt merkt de Raad allereerst op dat tussen partijen niet in geschil is dat de drie aangehuwde kinderen van appellant gedurende de in geschil zijnde kwartalen niet tot zijn huishouden in Nederland behoorden. Dit betekent dat appellant slechts aanspraak heeft op kinderbijslag als hij gedurende deze kwartalen heeft voldaan aan de bij en krachtens de AKW gestelde voorwaarde dat hij de kinderen toen in belangrijke mate, dat wil zeggen voor een bedrag van ten minste € 373,-- per kind per kwartaal (welk bedrag per 1 oktober 2002 is verhoogd tot € 386,--), heeft onderhouden. Blijkens vaste rechtspraak van de Raad dient een verzekerde desgevraagd op een voor het uitvoeringsorgaan eenvoudig te controleren wijze - met name door middel van bankoverschrijvingen ten name van het kind zelf of van de persoon die het kind verzorgt - aan te tonen of aannemelijk te maken dat hij voor zijn niet in Nederland verblijvende kind heeft voldaan aan de voor hem geldende onderhoudsbijdrage.

De Raad is van oordeel dat appellant geen bewijsstukken heeft overgelegd die voldoen aan deze maatstaven. Door appellant zijn weliswaar enkele bewijzen van bankstortingen overgelegd en van ontvangstbewijzen met betrekking tot die stortingen, doch de bedragen van die stortingen zijn in ieder geval onvoldoende om te kunnen voldoen aan de hiervoor genoemde onderhoudsbijdrage. Voorts zijn door appellant een groot aantal gegevens met betrekking tot opnames en betalingen via zijn bankrekeningen en creditcard overgelegd, doch deze bewijsstukken voldoen niet aan de hiervoor omschreven maatstaven.

Voorts voldoet appellant niet aan de voorwaarden van het door de Svb gehanteerde beleid op grond waarvan de onderhoudsbijdrage op andere wijzen aangetoond mag worden. De Svb gaat ervan uit dat wanneer een verzekerde gedurende een (vakantie)periode bij zijn kinderen in het buitenland verblijft het niet altijd voor de hand ligt dan via bankoverschrijvingen geld over te maken. Daarom mag, in gevallen waarin een verzekerde in één kwartaal twee of meer maanden bij zijn kinderen heeft verbleven en hij in de kwartalen voorafgaand aan die vakantie zijn onderhoudsbijdrage volledig en regelmatig heeft geleverd, die verzekerde zijn onderhoudsbijdrage geheel of gedeeltelijk op andere wijze aantonen. Appellant heeft gedurende de in geschil zijnde kwartalen weliswaar regelmatig in Turkije verbleven bij zijn vrouw en aangehuwde kinderen, doch voor zover al sprake is geweest van een verblijf van twee of meer maanden gedurende enig kwartaal dan voldoet appellant in ieder geval niet aan de voorwaarde dat hij gedurende de voorafgaande kwartalen op eenvoudig controleerbare wijze zijn onderhoudsbijdrage heeft voldaan.

Namens appellant is ook in hoger beroep aangevoerd dat de hiervoor omschreven voorwaarden met betrekking tot de aanspraak op kinderbijslag appellant niet tegengeworpen kunnen worden ten aanzien van tijdvakken gelegen voor medio oktober 2002, omdat hij eerst toen is geïnformeerd omtrent die voorwaarden. De Raad kan dit standpunt niet onderschrijven. Nu appellant eerst in oktober 2002 een aanvraag om kinderbijslag heeft ingediend kon de Svb appellant eerst toen informeren omtrent de daartoe gestelde voorwaarden. Voorts heeft de rechtbank er terecht opgewezen dat de Svb de wijze waarop de onderhoudsbijdrage moet worden aangetoond op behoorlijke wijze algemeen bekend heeft gemaakt.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. Voorts dient het beroep dat geacht wordt te zijn ingesteld tegen besluit 4 ongegrond verklaard te worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep dat geacht wordt te zijn ingesteld tegen besluit 4 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x