Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
BA6716
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-05-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag voor de in Marokko verblijvende kinderen gedurende de periode in geding, op de grond dat betrokkene sinds zijn terugkeer in Nederland in februari 1996 zijn gezin in Marokko niet meer heeft bezocht waardoor hij in die periode niet één huishouden vormde met zijn gezin in Marokko en hij voorts niet heeft aangetoond zijn kinderen over die periode in belangrijke mate te hebben onderhouden.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/4828 AKW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 juni 2005, 04/4880 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 31 mei 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M. Kaouass, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2007. Namens appellant is verschenen mr. Kaouass. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.




II. OVERWEGINGEN


Aan de door de Raad op 14 mei 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, LJN AK3435, waarin appellant is aangeduid als appellant en de Svb als gedaagde, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

“Appellant, die afkomstig is uit Marokko, is in de jaren zeventig naar Nederland gekomen. Zijn gezin bleef in Marokko. Appellant had in Nederland zelfstandige woonruimte en hij werkte in loondienst. Sedert 1985 beschikte appellant over een vestigingsvergunning. In augustus 1992 is appellant voor twee maanden voor vakantie naar Marokko vertrokken. Tijdens dit verblijf verergerden de psychische problemen waarmee appellant reeds jaren te kampen had. Hij heeft zich toen in Marokko onder medische behandeling gesteld. Als gevolg van genoemde omstandigheden is hij pas in december 1993 naar Nederland teruggekeerd. Gedaagde heeft in dit verblijf in Marokko geen aanleiding gezien appellant niet meer als verzekerde ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aan te merken.
In juli 1994 is appellant, volgens zijn verklaring voor behandeling van een ernstige vorm van depressie, wederom naar Marokko vertrokken. Appellant ontkent dat hij voornemens was zich definitief in Marokko te vestigen. Appellant heeft zich nimmer laten uitschrijven uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) van [woonplaats]. Eind februari 1996 is hij teruggekeerd in Nederland. De eerste jaren heeft hij een kamer gehuurd bij zijn broer. Op 14 april 1997 heeft hij een aanvraag ingediend voor een vergunning tot verblijf. Tevens heeft hij een bezwaarschrift ingediend tegen het schrijven van het hoofd van de plaatselijke politie van [woonplaats] van 27 januari 1994, waarin is medegedeeld dat conform het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk A4/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 1982 zijn vestigingsvergunning van rechtswege is komen te vervallen. Aan appellant is toegestaan de beslissing inzake zijn aanvraag van een vergunning tot verblijf in Nederland af te wachten. Aan appellant is per 14 april 1997 een uitkering verstrekt ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Appellants aanvraag van kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 1994 is door gedaagde afgewezen. Aan deze beslissing heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat appellant niet als verzekerde in de zin van de AKW kan worden aangemerkt. Het beroep tegen dit besluit is door de rechtbank ’s-Gravenhage bij uitspraak van 21 december 2001 verworpen.
Met ingang van 1 juli 1998 is appellants uitkering ingevolge de Abw ingetrokken. Bij uitspraak van 6 juli 2001 is dit besluit vernietigd door de rechtbank ’s-Gravenhage. Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 26 juni 2001, gepubliceerd in RSV 2001/216, overwoog de rechtbank dat appellant tot die categorie vreemdelingen behoorde aan wie voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Koppelingswet op 1 juli 1998 op de voet van artikel 12 (oud) van de Abw bijstand is verleend, zodat hij in staat is gesteld vóór 1 juli 1998 een zekere rechtspositie in Nederland op te bouwen. Op basis van deze uitspraak is aan appellant ook na 1 juli 1998 een uitkering ingevolge de Abw verleend. Bij besluit van 1 maart 2001 is aan appellant met ingang van 15 april 2000 een vergunning tot verblijf toegekend.”

In september 1998 heeft appellant aan de Svb verzocht kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aan hem toe te kennen voor zijn in Marokko verblijvende kinderen. Bij besluit van 26 januari 1999, zoals gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 26 november 2001 (hierna: besluit 1), heeft de Svb geweigerd over het derde kwartaal van 1998 tot en met het eerste kwartaal van 1999 kinderbijslag aan appellant toe te kennen, omdat hij niet verzekerd was voor de AKW. Besluit 1 is door appellant met succes in hoger beroep aangevochten. Bij de reeds genoemde uitspraak van 14 mei 2004 heeft de Raad als zijn oordeel uitgesproken dat het door de Svb tot 1 juli 1998 gevoerde beleid, op zich zelf grond had kunnen zijn om verzekering voor de AKW op grond van ingezetenschap aan te nemen. De Raad heeft vervolgens besluit 1 vernietigd en de Svb opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 7 oktober 2004 (hierna: besluit 2) de weigering van kinderbijslag over het derde kwartaal van 1998 tot en met het eerste kwartaal van 1999 gehandhaafd. Daarbij is overwogen dat reeds eerder is vastgesteld dat appellant sinds zijn terugkeer in Nederland in februari 1996 zijn gezin in Marokko niet meer heeft bezocht waardoor appellant in de betreffende periode niet één huishouden vormde met zijn gezin in Marokko en hij voorts niet heeft aangetoond zijn kinderen over voornoemde kwartalen in belangrijke mate te hebben onderhouden. Dit besluit is totstandgekomen nadat de gemachtigde van appellant de Svb had medegedeeld, dat het appellant in de aan de orde zijnde periode niet was gelukt om per kwartaal de onderhoudsbijdrage aan zijn echtgenote over te maken, omdat hij niet beschikte over inkomen en zijn gezin in Marokko door familieleden werd onderhouden.

De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard overwegende dat de Svb terecht heeft aangenomen dat appellant niet één huishouden vormde met zijn kinderen nu hij hen sinds 1996 niet heeft bezocht en de regelmatig onderhouden telefonische contacten met hen onvoldoende zijn om één huishouden aan te nemen.
De rechtbank was van oordeel dat appellant niet verder had voldaan aan de onderhoudseis terwijl de afwijzing van de aanvraag om kinderbijslag geen strijd opleverde met van toepassing zijnde internationale verdragen, zodat de Svb terecht had geoordeeld dat appellant met ingang van het derde kwartaal van 1998 geen recht had op kinderbijslag.

Appellant kan zich in hoger beroep niet verenigen met het oordeel van de rechtbank en heeft daartoe aangevoerd dat hij in de in geding zijnde kwartalen één huishouden vormde met zijn gezin in Marokko en dat de onderhoudseis hem ten onrechte wordt tegengeworpen.

De Raad overweegt het volgende.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de weigering van aanspraak op kinderbijslag voor de in Marokko verblijvende kinderen van appellant over het derde kwartaal van 1998 tot en met het eerste kwartaal van 1999 in rechte stand kan houden. Daarbij verschillen partijen allereerst van mening over de vraag of aangenomen kan worden dat appellant toen één huishouden vormde met die kinderen.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad ziet de term “huishouden” naar algemeen spraakgebruik en in de regel ook voor de toepassing van de AKW op de feitelijke situatie van gezamenlijk wonen. Indien in die situatie een - voorlopig - blijvende breuk is ontstaan, staat die eraan in de weg om nog van een huishouden te spreken. Ten aanzien van buitenlandse werknemers, die hun gezin achterlaten in het land van herkomst, kan onder omstandigheden aangenomen worden dat zij één huishouden met dat gezin zijn blijven vormen. In de Beleidsregels SVB 1998 staat hieromtrent het volgende vermeld:
“Indien een verzekerde in verband met werk naar Nederland is gekomen en zijn gezin in het land van herkomst heeft achtergelaten kan hij met zijn gezin nog een huishouden blijven vormen. Wel zal de betrokkene een voortdurende band met zijn gezin moeten hebben, hetgeen moet blijken uit regelmatige contacten.”

In de Beleidsregels SVB 2000 staat een gewijzigd beleid vermeld, dat door de Svb vanaf 1 januari 2001 wordt toegepast. Dit beleid luidt aldus:
“Indien een verzekerde naar Nederland is gekomen en zijn gezin in het land van herkomst heeft achtergelaten, kan hij één huishouden blijven vormen met zijn gezin indien zijn binding met het land van herkomst zo sterk is dat hij geacht kan worden daar te lande woonplaats te houden. Betrokkene dient dan tevens een voortdurende band met zijn gezin te onderhouden, hetgeen moet blijken uit regelmatige contacten. (..) Aan het voortbestaan van het huishouden komt een einde op het moment dat betrokkene als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt. Vanaf dat moment staat de sterke binding met Nederland eraan in de weg om ook nog woonplaats in het land van herkomst aan te nemen. Op deze regel bestaan twee uitzonderingen:
- Een breuk wordt geacht niet te hebben plaatsgevonden indien betrokkene een aanvraag om gezinshereniging heeft ingediend vóór het moment waarop hij als ingezetene van Nederland wordt aangemerkt. (...)
- De tweede uitzondering wordt gevormd door de situatie waarin ondubbelzinnig vaststaat dat betrokkene een dubbele woonplaats heeft.”

De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling van de aanspraak van appellant op kinderbijslag over het derde kwartaal van 1998 tot en met het eerste kwartaal van 1999 bepalend is het toen door de Svb gevoerde beleid, dat tot 1 januari 2001 ongewijzigd is gebleven. Voorts stelt de Raad vast dat appellant heeft aangevoerd dat hij weliswaar vanaf het derde kwartaal van 1998 niet feitelijk heeft samengewoond met zijn gezin in Marokko, maar dat hij wel op afstand deel ervan heeft uitgemaakt. Daarbij is erop gewezen dat appellant wekelijks telefonische contacten met zijn gezin heeft onderhouden, waarbij alle belangrijke opvoedkundige kwesties met zijn echtgenote werden besproken en appellant zijn gezin - hoe gering ook - heeft onderhouden. De Raad is van oordeel dat deze gestelde contacten in voldoende mate aannemelijk zijn te achten. Daarbij acht de Raad onder meer van belang dat namens appellant ter zitting van de Raad is uiteengezet dat het voor appellant vanwege zijn verblijfsstatus na 1996 onmogelijk was om naar Marokko te gaan, maar dat hij na de toekenning van een verblijfstitel in 2000 zijn gezin in Marokko weer heeft bezocht. Aan het feit dat appellant de bijdragen in het onderhoud niet kan aantonen vermag de Raad geen doorslaggevende betekenis toe te kennen, nu de Svb eerst in de loop van 2004 aan appellant heeft verzocht bewijzen omtrent zijn onderhoudsbijdragen over te leggen. Voorts acht de Raad aannemelijk dat het voor appellant, gelet op de intrekking van zijn uitkering ingevolge de Abw ten gevolge van zijn verblijfsstatus destijds, over de in geding zijnde kwartalen zeer moeilijk was financieel bij te dragen aan het onderhoud van zijn gezin. De Raad is van oordeel dat de hiervoor omschreven en aannemelijk geachte contacten voldoende zijn om te kunnen spreken van een voortdurende band van appellant met zijn gezin. De Raad acht daarbij van belang op te merken dat hij in zijn uitspraak van 14 mei 2004 heeft geconcludeerd dat er met ingang van het derde kwartaal van 2000 geen sprake (meer) was van één huishouden van appellant en zijn gezin, maar dat de Raad hiermee geen oordeel heeft gegeven over de perioden gelegen hiervoor.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de Svb ten onrechte heeft aangenomen dat appellant gedurende de hier in geschil zijnde kwartalen geen huishouden meer vormde met zijn gezin. Besluit 2 kan derhalve niet in stand blijven. De Svb dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellant van in totaal € 966,-- te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale Verzekeringsbank aan appellant het gestorte recht van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en B.J. van der Net en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2007.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) P.H. Broier.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x