Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AKW
x
LJN:
x
ZB8175
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-02-1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering kinderbijslag op de grond dat het kind niet is aan te merken als eigen, aangehuwd of pleegkind. Nu uit niets blijkt dat met de begripsbepaling "aangehuwd kind" in de AKW bedoeld was ter zake van het recht op kinderbijslag een wijziging aan te brengen ten opzichte van de laatstelijk daarvůůr geldende bepaling, is de CRvB van oordeel dat de AKW op dit punt dient te worden uitgelegd overeenkomstig de tot 1963 geldende regeling en dat derhalve de status van aangehuwd kind in de zin van artikel 7 van de AKW behouden blijft in de situatie waarin het huwelijk tussen de verzekerde en de ouder van de betreffende kinderen is geŽindigd door het overlijden van laatstgenoemde.
 
 
 

 

 
Uitspraak 96/2745 AKW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 15 maart 1995 heeft gedaagde het bezwaar van
appellant tegen zijn besluit van 20 september 1994, appellants
aanspraak op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet
(AKW) betreffende, deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak
van 1 februari 1996 het beroep tegen het besluit van 15 maart 1995
gegrond verklaard voorzover het was gericht tegen de schorsing van
de kinderbijslag over het eerste tot en met het derde kwartaal van
1994, het besluit in zoverre vernietigd en het beroep voor het
overige ongegrond verklaard.

Op de gronden, aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van 24 juni
1996, heeft mr. T. Scholtus, advocaat te 's-Gravenhage, gevorderd
het bestreden besluit (geheel) te vernietigen en te bepalen dat
appellant ingaande 1 januari 1994 aanspraak heeft op kinderbijslag.

Gedaagde heeft op 15 augustus 1996 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 november
1998. Appellant is daar verschenen bij zijn gemachtigde mr.
Scholtus, voornoemd. Gedaagde is, daartoe ambtshalve opgeroepen,
verschenen bij gemachtigden mr. J.S. Bartstra, mr G.E. Eind en mr.
A.H. Gersie, allen werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Het geding heeft betrekking op appellants aanspraak op
kinderbijslag ingaande het eerste kwartaal van 1994 ten behoeve van
zes kinderen, geboren uit een vorig huwelijk van appellants
echtgenote, C, met wie hij op .......... 1987 is gehuwd. C is op
......... 1989 overleden.

Nadat bij het primaire besluit van 20 september 1994 appellants
aanspraak op kinderbijslag ten behoeve van genoemde kinderen
ingaande het eerste kwartaal van 1994 was geschorst, welke
schorsing bij het bestreden besluit is gehandhaafd, is bij besluit
van 9 november 1995 de schorsing opgeheven en aan appellant alsnog
kinderbijslag voor de kinderen toegekend over het eerste kwartaal
van 1994. Kinderbijslag over het tweede en derde kwartaal van dat
jaar is bij hetzelfde besluit geweigerd. Blijkens een telefonische
mededeling van gedaagde is na bezwaar van appellant tegen
laatstgenoemd besluit alsnog aan hem ook kinderbijslag toegekend
over het tweede en derde kwartaal van 1994, hetgeen ter zitting
door appellants gemachtigde is bevestigd. De toekenning van
kinderbijslag over de genoemde drie kwartalen van 1994 berust
hierop, dat gedaagde van oordeel is dat de door hem bij appellant
voorheen terzake van de aanspraak op kinderbijslag gewekte
verwachtingen tot en met het derde kwartaal van 1994 dienen te
worden gehonoreerd.

Gegeven de datum van het in dit geding primaire besluit, 20
september 1994, kan het geding geen betrekking hebben op latere
aanspraken dan die over het derde kwartaal van 1994. Aangezien de
aanspraken van appellant tot en met dat kwartaal zijn erkend,
bestaat er in zoverre geen geschil meer tussen partijen. Aangezien
echter de rechtbank de ongegrondverklaring van het beroep heeft
doen steunen op de onderschrijving van gedaagdes standpunt dat de
kinderen niet (meer) kunnen worden aangemerkt als eigen of
aangehuwde kinderen dan wel pleegkinderen van appellant, heeft deze
naar 's Raads oordeel voldoende belang bij het hoger beroep.
Met betrekking tot dit geschilpunt deelt de Raad het oordeel van
gedaagde en van de rechtbank dat hier niet van eigen kinderen of
pleegkinderen van appellant kan worden gesproken en verwijst hij
naar de gronden van het bestreden besluit en de overwegingen van de
rechtbank. Voor het antwoord op de vraag of de kinderen als
aangehuwde kinderen van appellant kunnen worden aangemerkt, is
bepalend of van zodanige kinderen nog kan worden gesproken na de
ontbinding van het huwelijk tussen appellant en C, dat immers,
zoals hierboven is vermeld, is geŽindigd door het overlijden van
laatstgenoemde op ..... 1989. Hierbij verdient opmerking dat
gedaagde sedertdien, tot 1994, kinderbijslag heeft toegekend in de
veronderstelling dat het hier eigen kinderen van appellant betrof.

Partijen hebben voor hun respectievelijk bevestigende en
ontkennende beantwoording van de vraag of de kinderen na het einde
van het huwelijk nog als aangehuwde kinderen van appellant kunnen
worden aangemerkt, steun gezocht in het (Nederlandse) familierecht
en belastingrecht. Daarbij is er onder meer op gewezen, dat
ingevolge het Burgerlijk Wetboek (artikel 1:3, derde lid)
aanverwantschap als in casu bestaande tussen appellant (de
stiefouder) en de kinderen van zijn echtgenote niet door het
overlijden van laatstgenoemde wordt opgeheven; dat, anderzijds, op
grond van artikel 1:395 BW de onderhoudsverplichting van de
stiefouder jegens de kinderen van zijn echtgenoot slechts staande
huwelijk geldt; dat, niettegenstaande dit laatste, in de
inkomstenbelasting de kosten van levensonderhoud van stiefkinderen
ook na de ontbinding van het huwelijk als buitengewone lasten
kunnen worden aangemerkt, hetgeen van betekenis zou moeten worden
geacht bij een beoogde coŲrdinatie tussen belasting- en
kinderbijslagwetgeving.

De Raad overweegt dat, te meer nu het in de AKW gehanteerde begrip
"aangehuwd kind" in de beide hierboven genoemde rechtsgebieden niet
(meer) voorkomt, de duiding van dat begrip allereerst in de AKW
zelf moet worden gezocht. In dat verband acht de Raad, bij gebreke
van enige toelichting in de wetsgeschiedenis, van betekenis dat in
de kinderbijslagwetgeving vůůr de inwerkingtreding van de AKW het
begrip "aangehuwd kind" niet voorkwam maar, ingevolge artikel 23,
eerste lid, van de Kinderbijslagwet zoals gewijzigd bij wet van 21
augustus 1950, Stb. K369, werd gesproken van een kinderbijslagrecht
voor kinderen uit een vorig huwelijk van de echtgenoot(e) of
overleden echtgenoot(e) van de arbeider, met welke laatste
toevoeging kennelijk een wijziging was beoogd ten opzichte van de
voorafgaand aan genoemde wijziging geldende bepaling in artikel 23,
eerste lid, van de Kinderbijslagwet, welke slechts een recht kende
voor een kind van de arbeider of van de echtgenoot(e) van de arbeider.

Nu uit niets blijkt dat met de begripsbepaling "aangehuwd kind" in
de AKW bedoeld was terzake van het recht op kinderbijslag een
wijziging aan te brengen ten opzichte van de laatstelijk daarvůůr
geldende bepaling, is de Raad van oordeel dat de AKW op dit punt
dient te worden uitgelegd overeenkomstig de tot 1963 geldende
regeling en dat derhalve de status van aangehuwd kind in de zin van
artikel 7 van de AKW behouden blijft in de situatie waarin het
huwelijk tussen de verzekerde en de ouder van de betreffende
kinderen is geŽindigd door het overlijden van laatstgenoemde.

Gelet op het tot zover overwogene dient het bestreden besluit
alsnog te worden vernietigd voorzover het door de rechtbank in
stand is gelaten, en dient de aangevallen uitspraak eveneens in
zoverre te worden vernietigd.

Ten aanzien van de namens appellant in hoger beroep ingestelde,
niet gespecificeerde, vordering tot schadevergoeding gaat de Raad
ervan uit dat daarmee bedoeld is de wettelijke rente uit hoofde van
vertragingsschade in de betaling van de kinderbijslag over het
eerste, tweede en derde kwartaal van 1994 te vorderen. Deze
vordering is met toepassing van artikel 8:73, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht toewijsbaar, aangezien thans als
vaststaand kan worden aangenomen dat het niet toekennen van
kinderbijslag over het eerste tot en met het derde kwartaal van
1994 onrechtmatig was.
De schade wordt in casu gevormd door de wettelijke rente op de voet
van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek, te
rekenen vanaf de dag waarop aan appellant de verschuldigde bedragen
aan kinderbijslag uiterlijk zouden zijn betaald indien gedaagde
binnen de daarvoor gestelde termijn ten aanzien van de
onderscheidene kwartalen had beslist zoals hij rechtens had behoren
te doen.
Aangezien sedert januari 1992 het systeem van de herhaalde,
kwartaalsgewijze, aanvraag in de AKW is verlaten en appellant
voorafgaande aan het eerste kwartaal van 1994 recht had op
kinderbijslag, is in deze nog slechts van belang artikel 18 van de
AKW, dat bepaalt dat de Sociale Verzekeringsbank de kinderbijslag
betaalt uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het kwartaal
waarover recht op kinderbijslag bestaat.
Een en ander betekent dat aanspraak op rente bestaat over de
betaling van de kinderbijslag over de drie kwartalen in geding
steeds vanaf de dag na afloop van een termijn van drie maanden na
het einde van het betreffende kwartaal.

Gedaagde dient voorts te worden veroordeeld in de proceskosten van
appellant, welke blijkens opgave uitsluitend bestaan uit kosten van
rechtsbijstand.
De rechtbank heeft bij een gedeeltelijke gegrondverklaring van het
beroep de proceskostenveroordeling in eerste aanleg gematigd tot
25%, zijnde een bedrag van f 355,-. Nu het bestreden besluit in
hoger beroep geheel wordt vernietigd, is het restant van de
vergoeding voor twee proceshandelingen in eerste aanleg alsnog
toewijsbaar. De proceskosten in hoger beroep, eveneens twee
proceshandelingen, worden begroot op f 1.420,-.

Tenslotte dient gedaagde het door appellant in hoger beroep
betaalde griffierecht van f 150,- aan hem te vergoeden.

Beslist wordt derhalve als hieronder aangegeven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het bestreden
besluit in stand is gelaten en bevestigt die uitspraak voor het overige;
Vernietigt gedaagdes besluit van 15 maart 1995 alsnog geheel;
Veroordeelt gedaagde tot betaling van schadevergoeding als
hierboven aangegeven;
Veroordeelt voorts gedaagde in de proceskosten van appellant, welke
worden begroot op f 1.065,- in eerste aanleg en f 1.420,- in hoger
beroep aan kosten van rechtsbijstand;
Bepaalt dat gedaagde het door appellant in hoger beroep betaalde
griffierecht van f 150,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. P.P.
Zwart en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.
Breuls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 1999.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) S. Breuls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AKW | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x