Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT / CSV
x
LJN:
x
AA5804
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-04-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de door het betrokken concern betaalde winstuitkering terecht tot het premieloon van de werknemers gerekend? Is er sprake van loon dat uit dienstbetrekking wordt genoten?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/4071 ALGEM, 99/4420 ALGEM, 98/5362 CSV, 99/5729 ALGEM, 98/5543 ALGEM, 99/5727 ALGEM en 99/4413 ALGEM




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

A B.V., gevestigd te B, appellante 1,
C B.V., gevestigd te D, appellante 2,
E B.V., gevestigd te F, appellante 3,
G B.V., gevestigd te H, appellante 4,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet Sociale Verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Grafische bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Appellantes zijn bij gemachtigde mr. drs. J.C.A. van Ruiten, belastingadviseur te Rotterdam, werkzaam bij Loyens & Volkmaars, op bij de respectieve aanvullende beroepschriften (met bijlagen) aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van respectieve uitspraken van de Arrondissementsrechtbank te Roermond d.d. 31 maart 1998 (appellante 1), die te Zwolle d.d. 12 mei 1998 (appellante 2), die te Haarlem d.d. 20 juli 1998 (appellante 3) en die te 's-Hertogenbosch d.d. 13 juli 1999 (appellante 4).

Bij deze uitspraken zijn de beroepen van appellantes tegen de respectieve bestreden, na bezwaar genomen, besluiten d.dis 15 april 1997 (ten name appellantes 1, 2 en 3) en 15 mei 1998 (ten name van appellante 4) ongegrond verklaard.

In deze besluiten is neergelegd de opvatting van gedaagde dat de door X in december 1993 aan de werknemers van appellantes betaalde uitkering van 9,8% van het loon over het jaar 1992, loon uit dienstbetrekking van appellantes vormt, en derhalve tot het loon behoort waarover premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten verschuldigd is. Terzake zijn premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten nageheven middels correctienota's, welke nota's gedaagde bij deze besluiten heeft gehandhaafd. Daarnaast zijn bij de bestreden besluiten ten aanzien van appellantes 1, 3 en 4 de boetes, opgelegd op grond van het Loonadministratiebesluit d.d. 28 december 1987, laatstelijk gewijzigd bij Besluit d.d. 31 maart 1994, Stcrt. 1994, 70, teruggebracht tot nihil. Wel heeft gedaagde ten aanzien van deze appellantes gehandhaafd de registraties van een eerste administratief verzuim.

Gedaagde heeft in de gedingen van verweer gediend.

Bij besluiten d.dis 14 december 1998 heeft gedaagde ten aanzien van appellantes 1, 2 en 3 de correctienota's gematigd met f 50.000,--, zijnde de maximale matiging bij een lange afhandelingsduur van het bezwaar, van welke besluiten gedaagde de Raad bij brieven van gelijke datum, respectievelijk als bijlage bij het verweerschrift, in kennis heeft gesteld.

De Raad heeft besloten deze nadere besluiten met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht te betrekken in deze procedures.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 januari 2000, waar voor appellantes als gemachtigde is verschenen mr. drs. J.C.A. van Ruiten, belastingadviseur, werkzaam bij Loyens en Loeff te Rotterdam, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.A.J. Berkers, werkzaam bij Gak Nederland B.V.




II. MOTIVERING


De Raad ontleent aan de gedingstukken de volgende feiten.
Appellantes, alle behorende tot de grafische sector, waren middels X B.V. (hierna X) eigendom van X N.V. De werknemers van appellantes waren gerechtigd tot een winstaandeel, gerelateerd aan de concernwinst, van maximaal 9,8% van hun jaarsalaris per jaar, terwijl de facto het winstaandeel de laatste jaren ook naar het maximum werd betaald. In verband met een voorgenomen aandelenoverdracht van appellantes is het volgende memo aan de groepsondernemingsraad Grafische Industrie gezonden:
"Memo
Aan  : Groepsondernemingsraad Grafische Industrie
Van  : Bestuurder
Betreft : Toezegging inzake winstdelingsregeling
Datum  : 16 december 1992
-------------------------------------------------------
Zoals reeds uitvoerig in onze Overlegvergadering toegelicht, is in verband met de vervreemding van de X Grafische Industrie de noodzaak ontstaan om een nieuwe eigen grafische winstdelingsregeling te ontwerpen.
In de ontwerp winstdelingsregeling G.I. is het uit te keren winstbedrag gebaseerd op de omvang van het door de G.I. te behalen bedrijfsresultaat.
In de bijlage is een uitgebreide beschrijving van de regeling opgenomen.
De nieuwe winstdelingsregeling wijkt significant af van de huidige regeling en het huidige uitkeringsniveau zal pas weer gehaald worden als de G.I. zijn normrendement haalt.
In verband hiermede verplicht X BV zich onherroepelijk, ten behoeve van de werknemers die per 31 december 1992 in dienstbetrekking werkzaam zijn bij X Grafische Industrie BV en of de tot haar groep behorende Nederlandse werkmaatschappijen en die op het moment van de ondertekening van de verkoopovereenkomst van de aandelen G.I. nog in dienstbetrekking werkzaam zijn. Jegens de Groepsondernemingsraad Grafische Industrie:
-  de nieuwe G.I. winstdelingsregeling te doen ingaan op en vanaf de datum waarop de verkoopovereenkomst van de aandelen G.I. wordt getekend;
- aan de hiervoor genoemde werknemers, ter compensatie van toekomstige inkomensachteruitgang, samenhangende met de wijziging van de winstdelingsregeling, een eenmalige schadevergoeding uit te keren ter grootte van 9,8% van het loon of salaris welke zij over 1992 hebben genoten. De uitkering van deze schadevergoeding zal plaatsvinden uiterlijk binnen een maand na ondertekening van de overdrachtsovereenkomst van de aandelen G.I.;
- aan de werknemers, over de periode 1 januari 1993 tot aan het moment van ondertekening van de overdrachtovereenkomst van de G.I.-aandelen, ook een winstaandeel toe te kennen overeenkomstig de huidige X winstdelingsregeling."

De aandelenoverdracht door X N.V. aan I N.V. heeft medio 1993 plaatsgevonden, waarna laatstgenoemde NV naamswijziging heeft ondergaan tot J N.V.

In december 1993 heeft het X-concern zijn eerder vermelde toezegging gestand gedaan en aan de werknemers van appellantes 9,8% van het jaarloon als winstuitkering betaald. Daarnaast hebben appellantes een winstuitkering verstrekt van 2,2% van het jaarloon.

In hoger beroep is, evenals bij de gedingvoering in eerste aanleg, primair in geschil of gedaagde de door X betaalde winstuitkering terecht tot het premieloon van de werknemers heeft gerekend.

De Raad overweegt hierover als volgt.

Artikel 4, eerste lid, van de Co÷rdinatiewet sociale verzekering (CSV) bepaalt dat loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten.

De enkele omstandigheid dat het bestaan van een dienstbetrekking tot appellantes het behalen van een voordeel door de werknemers mogelijk maakte, acht de Raad onvoldoende om de onderhavige door X verstrekte uitkeringen als loon aan te merken.

Voorop staat dat de vraag beantwoord moet worden of sprake is van loon dat uit dienstbetrekking wordt genoten.

In dit verband stelt de Raad vast dat de werknemers die de onderhavige betalingen ontvingen alle in dienstbetrekking stonden en zijn gebleven tot appellantes. Voorts kan worden vastgesteld dat de uitkering van X rechtstreeks voortvloeit uit hetgeen in het kader van de arbeidsovereenkomst nader tussen werkgevers en werknemers is overeengekomen met betrekking tot de afstoting van de grafische bedrijven (appellantes) en de gevolgen hiervan voor de bestaande winstdelingsregeling. De Raad verwijst in dit verband naar het hiervoor aangehaalde memo aan de groepsondernemingsraad van het X-concern.

Dit betekent dat de thans aan de orde zijnde betaling een uitvloeisel vormt van de onderhandelingen over de gewijzigde arbeidsvoorwaarden na de afstoting en als zodanig ge´ncorporeerd is in de arbeidsvoorwaarden.

Onder deze omstandigheden is er volgens de Raad geen ruimte voor het oordeel dat sprake is van een bijkomend voordeel dat wordt behaald, omdat de dienstbetrekking dat mogelijk maakt. Er is daarentegen naar het oordeel van de Raad sprake van een voordeel dat rechtstreeks zijn oorzaak vindt in het verrichten van arbeid door de werknemers ten behoeve van appellantes. In dit verband acht de Raad ook niet van belang verstoken dat de door X verstrekte uitkering gerelateerd is aan het in de dienstbetrekking met appellantes genoten jaarloon.

Appellantes waren bovendien op de hoogte van de verplichting die door X was aangegaan. Niet alleen X had belang bij de verstrekking van een eenmalig bedrag ter grootte van 9.8% van het jaarsalaris, doch appellantes hadden kennelijk ook belang bij een laatste hogere uitkering dan in de toekomst naar alle waarschijnlijkheid zou volgen, wegens het vervallen van de winstdelingsregeling van het X-concern. Zij hebben namelijk ook 2,2% betaald, waardoor de werknemers een uitkering van 12% ontvingen. Hiermee werd, zoals ook ter zitting van de Raad nogmaals is toegelicht, een groot belang gediend, namelijk de voorkoming van arbeidsonrust, waardoor de publicatie van vele tijdschriften geen belemmeringen ondervond.

Daarnaast moet het er naar het oordeel van de Raad voor worden gehouden dat appellantes hebben meegewerkt aan de verstrekking van de betaling door X door loongegevens uit hun respectieve loonadministraties te verstrekken, gelet op de afspraken die met de fiscus werden gemaakt ten aanzien van de inhouding van loonbelasting door X.

Gelet hierop zou er voor appellantes in de inhoudingssfeer voor de premieheffing voor de sociale werknemersverzekeringswetten geen probleem geweest zijn om de verschuldigde premies vast te stellen.

Het voorgaande brengt mee dat de Raad tot de conclusie komt dat gedaagde de door X verrichte betalingen terecht heeft aangemerkt als loon in de zin van artikel 4 van de CSV, genoten uit dienstbetrekking tot de respectieve appellantes. De Raad meent voor zijn oordeel ook steun te vinden in de uitspraak van de Hoge Raad van 24 juli 1995, nr 30897, gepubliceerd in BNB 1995, 312 c.
De omstandigheid dat X de onderhavige betalingen niet heeft doorbelast aan appellantes heeft derhalve niet de betekenis die appellantes hieraan gehecht wensen te zien.

Appellantes 1, 3 en 4 hebben voorts in hoger beroep de grief herhaald dat zij de registratie van een eerste verzuim niet juist achten. Te dien aanzien deelt de Raad het oordeel van de respectieve rechtbanken en maakt deze oordelen tot het zijne, voorzover het een beroep op het gelijkheidsbeginsel betreft. Met betrekking tot de namens appellantes betrokken stelling dat zij een pleitbaar standpunt hebben ingenomen en deswege gelet op artikel 13 van het thans geldende Besluit toepassing boeten Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (Stcrt. 1998, 123) in hun gevallen een verzuimregistratie (alsnog) achterwege dient te blijven, overweegt de Raad allereerst dat hij een verzuimregistratie aanmerkt als een punitieve sanctie, zij het een met een voorwaardelijk karakter, en hij hiervan uitgaande in het licht van artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten geen beletsel aanwezig acht de in deze gedingen aan de orde zijnde registraties te toetsen aan voormeld artikel 13. Uit dit artikel, hoe gebrekkig ook geredigeerd, leidt de Raad af dat in een situatie waarin een niet volledige opgave voortvloeit uit "verdedigbare interpretaties" gedaagde niet alleen een boete achterwege laat maar ook een verzuimregistratie. Mede gelet op de stand van de jurisprudentie ten tijde hier van belang meent de Raad dat het door appellantes in deze gedingen ingenomen standpunt kan worden aangemerkt als een verdedigbare interpretatie. Gelet hierop kunnen de verzuimregistraties niet in stand blijven.

Gelet op de gewijzigde bedragen van de premiecorrecties, zoals vastgelegd in de nadere besluiten als vermeld in rubriek I ten aanzien van appellantes 1, 2 en 3, kunnen de aangevallen uitspraken en de bestreden besluiten wat betreft de nagevorderde premies en de verzuimregistratie ten aanzien van appellantes 1, 3 en 4 geen stand houden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellantes 1, 2 en 3, zowel wat betreft de proceskosten voor de gedingvoering in eerste aanleg als die in hoger beroep.

Tevens dient gedaagde aan appellantes 1, 2 en 3 het griffierecht te worden vergoed, betaald zowel terzake van de gedingvoering in eerste aanleg als die in hoger beroep.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken van de rechtbanken te Roermond, Zwolle en Haarlem en de bestreden besluiten van 15 april 1997;
Vernietigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, voor zover daarbij de verzuimregistratie ten aanzien van appellante 4 in stand is gelaten;
Vernietigt het bestreden besluit van 13 juli 1999 in zoverre;
Bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch voor het overige;
Verklaart de beroepen tegen de besluiten van gedaagde d.dis 14 december 1998 ten name van appellantes 1, 2 en 3 ongegrond;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van appellantes in eerste aanleg tot een bedrag van f 5.680,-- en in hoger beroep tot een bedrag van f 1.420,--;
Bepaalt dat het Lisv aan appellantes het in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte griffierecht vergoedt ten bedrage van in totaal f 1.095,-- ten behoeve van appellante 1 en f 1.050,-- ten behoeve van elk van de overige appellantes afzonderlijk.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2000.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Huls.




Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x