Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AA7122
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-07-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Alsnog niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar op de grond dat de eventuele toekomstige gevolgen van het niet voldoen aan de voorwaarde bij verleende vrijstelling van verplichte verzekering niet is gericht op rechtsgevolg.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/2034 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A te B, appellant,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 20 februari 1997 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen zijn besluit van 13 december 1996, houdende de vrijstelling van appellant van de verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen, ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uitspraak van 12 januari 1998 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij beroepschrift aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft bij brieven van 28 april en 1 oktober 1998 nadere stukken in het geding gebracht en op 9 juni 1998 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 juni 2000, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A. van Scherpenzeel, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellant woont in Nederland. Hij ontvangt sedert 9 maart 1985 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke in 1996 f 782,35 bruto per maand bedroeg, en vanaf 1 januari 1994 tevens een Erwerbsunfähigkeitsrente van de LVA Westfalen van 1.329,67 DM per maand.

Bij besluit van 13 december 1996 heeft gedaagde appellant op zijn verzoek ingaande 1 januari 1994 vrijstelling verleend van de verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen op grond van het bepaalde in artikel 24 van het Koninklijk besluit van 3 mei 1989, Stb. 164 (hierna: KB 164). Daarbij heeft gedaagde het volgende aan appellant medegedeeld:

"Een vrijstelling van de verplichte verzekering ingevolge de AOW, Anw, AKW en AAW kunnen wij u verlenen indien u voldoet aan de onderstaande voorwaarden, genoemd onder de punten 1 of 2.
(...)
2.  a. u woont in Nederland en
b. u verricht hier te lande geen arbeid en
c. u ontvangt duurzaam zowel een uitkering ingevolge een buitenlandse wettelijke regeling inzake sociale zekerheid of ingevolge een regeling van een volkenrechtelijke organisatie, als ook een Nederlandse sociale verzekeringsuitkering en
d. de eerstbedoelde uitkering is groter dan of gelijk aan de Nederlandse uitkering en
e. de uitkeringen tezamen bedragen tenminste 70% van het Nederlandse wettelijk minimumloon. (Dit minimumloon bedraagt momenteel f 2203,50 per maand.)
Aangezien u aan alle onder punt 2 genoemde voorwaarden voldoet, verlenen wij u de door u gevraagde vrijstelling."

Appellant heeft in bezwaar aangevoerd dat hij het niet eens is met de onder b. genoemde voorwaarde, omdat hem aldus de mogelijkheid wordt ontnomen nog werkzaamheden in Nederland te verrichten.

Gedaagde heeft dit bezwaar van appellant bij het bestreden besluit ongegrond verklaard en de rechtbank heeft dat besluit in stand gelaten.

De Raad ziet zich allereerst gesteld voor de beantwoording van de vraag of het bezwaar van appellant is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen op grond van artikel 7:1 van de Awb het rechtsmiddel van bezwaar openstaat.
In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Hierbij geldt dat met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld: een handeling, gericht op rechtsgevolg.

De hiervoor onder b. genoemde voorwaarde is van belang voor gedaagdes beslissing tot vrijstelling van de verplichte volksverzekeringen, in die zin dat gedaagde alvorens een beslissing te nemen diende vast te stellen of appellant op 1 januari 1994 aan die voorwaarde voldeed en voor vrijstelling in aanmerking kwam. De beslissing omtrent de vrijstelling is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Gedaagdes bezwaren zijn echter niet gericht tegen deze toepassing van die voorwaarde in het kader van de verleende vrijstelling, maar hebben betrekking op eventuele toekomstige gevolgen voor de verleende vrijstelling indien hij werkzaamheden in Nederland gaat verrichten.

Op dat punt bevat het besluit van 13 december 1996 echter geen beslissing en in zoverre is het dan ook niet op rechtsgevolg gericht.

Dat betekent tevens dat op dat punt voor appellant geen bezwaar als bedoeld in artikel 7:1 van de Awb openstond en dat gedaagde het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, niet in stand kunnen blijven. Voorts ziet de Raad voldoende aanleiding om, zelf in de zaak voorziende, het bezwaar van appellant alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 58,40 aan reiskosten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad vast dat gedaagde het griffierecht ad f 215,- aan appellant dient te vergoeden.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;
Verklaart het bezwaar van appellant tegen gedaagdes besluit van 13 december 1996 alsnog niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot f 58,40 te betalen aan appellant;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 215,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.P. Zwart als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2000.

(get.) F.P. Zwart.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x