Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AD6757
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-11-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Staat betrokkene vanaf de datum in geding tot de betrokken BV in een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in de artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten? Is er sprake van een gezagsverhouding? Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/4412 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[X.] B.V., gevestigd te [Y.], appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is mr. J.F. van Duin, advocaat te Ridderkerk, op bij beroepschrift van 18 augustus 1999 (met bijlagen) aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage onder dagtekening 2 juli 1999 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen.

Gedaagde heeft op 8 december 1999 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Bij schrijven van 10 september 2001 heeft appellante nadere stukken de Raad doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 september 2001, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Van Duin, voornoemd, en [A.], directeur van appellante. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.L.M. SchŁtz, werkzaam bij Gak Nederland B.V.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak waarin appellante is aangeduid als eiseres en gedaagde als verweerder, ontleent de Raad het volgende:

"Bij managementovereenkomst d.d. 4 januari 1993 heeft B.V. [Z.], gevestigd te [Y.], (hierna: [Z.] B.V.) zich verbonden om managementtaken te verrichten voor onder [W.] B.V. ressorterende werkmaatschappijen, met name voor de rechtspersoon waarin de handelsactiviteiten waren ondergebracht die voorheen werden uitgevoerd door [Z.] B.V. zelf. De bedrijfsactiva en goodwill van [Z.] B.V. zijn namelijk bij koopovereenkomst van 4 januari 1993 verkocht aan [V.] B.V., een werkmaatschappij van [W.] B.V. Naar aanleiding hiervan is de naam [V.] B.V. gewijzigd in [X.] B.V., de naam van eiseres.
De heer [A.], in dienst bij [Z.] B.V., is statutair-directeur van eiseres. De aandelen van eiseres zijn in bezit van [W.] B.V. De aandelen van laatstgenoemde vennootschap zijn in handen van de CoŲperatieve [U.] ([U.]) U.A. te [T.].
Op 22 en 30 mei 1997 heeft verweerder bij eiseres een looncontrole uitgevoerd, waarvan een looncontrolerapport d.d. 5 november 1997 is opgesteld.
De conclusie van dit rapport is - onder meer - dat de verhouding tussen de heer [A.] en eiseres aangemerkt dient te worden als een privaatrechtelijke dienstbetrekking, op grond waarvan sprake is van verzekeringsplicht ingevolge de sociale werknemersverzekeringen. Daar eiseres geen premies voor de heer [A.] heeft afgedragen, heeft verweerder haar op 12 en 13 februari 1998 correctienota's opgelegd over de jaren 1993 tot en met 1996 van in totaal fl. 40.859,--. Daarnaast is op 12 februari 1998 ter zake van deze correcties een eerste verzuim geregistreerd."

Partijen zijn in dit geding verdeeld over het antwoord op de vraag of [A.] vanaf 1 januari 1993 tot appellante in een privaatrechtelijke dienstbetrekking staat als bedoeld in de artikelen 3 van de Werkloosheidswet, de Ziektewet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In het bijzonder spitst het geding zich toe op de vraag of [A.] onder gezag van appellante staat.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting deze vraag bevestigend beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan alle elementen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en heeft gedaagde [A.] terecht aangemerkt als werknemer van appellante en voor hem verzekeringsplicht op grond van de sociale werknemersverzekeringswetten aangenomen.

De Raad komt evenwel tot een andere afweging van de feiten en omstandigheden zoals die naar voren komen, en overweegt daartoe het volgende.

De Raad is van oordeel dat de looninspecteur, blijkens zijn looncontrolerapport van 5 november 1997, zich in onvoldoende mate de wederzijdse afhankelijkheid en het belang van de ligging van het bedrijfsterrein heeft gerealiseerd. Benevens een aanzienlijke lening die [A.] aan appellante had verstrekt, is hij tevens eigenaar van het bedrijfsterrein, inclusief de zich daarop bevindende bedrijfsgebouwen en bedrijfsmiddelen. De benodigde vergunningen voor de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten staan eveneens op naam van [A.]. Gelet op de bedrijfsactiviteit van appellante, bestaande uit de opslag, aan- en afvoer van onder meer zand en grind, is de ligging van het bedrijfsterrein aan het water van essentieel belang voor de bedrijfsvoering van appellante en zorgt er tevens voor dat het bedrijf niet direct verplaatsbaar is. De Raad is derhalve van oordeel dat gedaagde de aard en ligging van de onderneming, alsmede de mogelijk aanmerkelijke greep van [A.] op het bedrijf, waardoor er een situatie zou kunnen zijn ontstaan van wederzijdse afhankelijkheid die een reŽle gezagsuitoefening van de zijde van appellante in de weg staat, bij zijn onderzoek onvoldoende heeft belicht om daaruit reeds thans de conclusie te kunnen trekken dat er in dit geval sprake is van een gezagsverhouding. Op grond hiervan kan het bestreden besluit om redenen van een onvoldoende zorgvuldige voorbereiding op voornoemd punt geen stand houden.

Het vorenoverwogene leidt er toe dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de aan de kant van appellante gevallen proceskosten. Die kosten worden begroot op f 1.420,-- wegens in eerste aanleg en op f 1.420,-- wegens in hoger beroep verleende rechtsbijstand, totaal derhalve f 2.840,--. Van andere te vergoeden kosten is de Raad niet gebleken.

Tenslotte gelast de Raad, gelet op artikel 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, dat het in beide instanties door appellante betaalde griffierecht van totaal f 1.125,-- aan appellante wordt vergoed.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede het bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante begroot op f 2.840,--;
Bepaalt dat gedaagde het door appellante gestorte griffierecht ad f 1.125,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 november 2001.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x