Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AE4592
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-04-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Bij het bestreden besluit heeft de SVB afwijzend beslist op het verzoek van het betrokken bedrijf, dat onder meer baggerwerkzaamheden verricht in Nederland en Duitsland, om voor een zevental van haar werknemers vanaf 1 januari 1995 een overeenkomst te sluiten met Duitsland als bedoeld in artikel 17 van EEG-verordening 1408/71 teneinde de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving op hen van toepassing te laten blijven. Is terecht aangenomen dat op voornoemde werknemers de Nederlandse wetgeving niet van toepassing?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/8488 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[Bedrijf], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 23 november 1995 heeft gedaagde afwijzend beslist op het verzoek van appellante om voor een zevental van haar werknemers vanaf 1 januari 1995 een overeenkomst te sluiten met Duitsland als bedoeld in artikel 17 van EEG-Verordening 1408/71 (hierna: de Verordening), teneinde de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving op hen van toepassing te laten blijven. Ten aanzien van vijf van deze werknemers heeft gedaagde daarbij overwogen dat aan Duitsland zal worden verzocht voor hen een zodanige overeenkomst te sluiten dat hun overgang naar het Duitse socialeverzekeringsstelsel niet eerder dan per 1 januari 1997 zal plaatsvinden.

Bij beslissing op bezwaar van 13 maart 1996 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 23 november 1995 gegrond verklaard voor zover gericht tegen de weigering van gedaagde voor twee werknemers een overeenkomst op grond van artikel 17 van de Verordening te sluiten. Ook ten aanzien van deze werknemers heeft gedaagde overwogen dat aan Duitsland zal worden verzocht een zodanige overeenkomst te sluiten dat hun overgang naar het Duitse socialeverzekeringsstelsel eerst met ingang van 1 januari 1997 plaatsvindt. Voor het overige heeft gedaagde het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 26 oktober 1998 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is prof. dr. P. Kavelaars, werkzaam bij Deloitte & Touche te Rotterdam, van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens hebben partijen naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de Raad nog enige nadere stukken in het geding gebracht-

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 maart 2002, waar namens appellante is verschenen prof. dr. Kavelaars, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C.A.J. Mastenbroek, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.




II. MOTIVERING


Appellante is een in Nederland gevestigde onderneming welke onder meer baggerwerkzaamheden verricht in Nederland en Duitsland. Twee baggerschepen van appellante, de [baggerschip 1] en de [baggerschip 2], zijn al vele tientallen jaren uitsluitend werkzaam in of nabij havens in Noord-Duitsland. De aan boord van deze twee baggerschepen werkzame werknemers van appellante zijn alle woonachtig in Nederland. Zij werken gedurende één week continu op het baggerschip, zonder naar hun woonplaats terug te keren, en wonen gedurende die week ook aan boord van het baggerschip. De daarop volgende week hebben zij verlof en verblijven dan in Nederland bij hun gezin. Deze werknemers beschikken allen over een monsterboekje.

De aan boord van voornoemde twee baggerschepen werkzame werknemers zijn in ieder geval vanaf 1982 tot 31 maart 1990 op grond van met Duitsland gesloten overeenkomsten in het kader van artikel 17 van de Verordening verzekerd geweest ingevolge de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving. Vervolgens is voor deze werknemers vanaf 31 maart 1990 tot 1 januari 1995 de verplichte verzekering ingevolge de Nederlandse wetgeving gehandhaafd, omdat aangenomen werd dat zij werkzaam waren op onder Nederlandse vlag varende zeeschepen, zodat op hen op grond van artikel 13, tweede lid, onder c van de Verordening de Nederlandse wetgeving van toepassing was.

Bij brief van 25 juli 1995 heeft appellante aan gedaagde verzocht om voor een zevental werknemers, die allen voortdurend in Noord-Duitsland werkzaam zijn op voornoemde twee baggerschepen, een overeenkomst te sluiten met Duitsland als bedoeld in artikel 17 van de Verordening, teneinde de Nederlandse wetgeving op hen van toepassing te doen zijn. Bij het primaire besluit van 23 november 1995 heeft gedaagde afwijzend op dit verzoek beslist, omdat sprake is van werkzaamheden voor onbepaalde tijd in Duitsland. Ten aanzien van vijf van de werknemers, voor wie al eerder overeenkomsten als bedoeld in artikel 17 van de Verordening waren gesloten, heeft gedaagde - vanuit overwegingen inzake algemene beginselen van behoorlijk bestuur - besloten om tot 1 januari 1997 nog wel een overeenkomst met Duitsland te sluiten, ten einde appellante in de gelegenheid te stellen de noodzakelijke maatregelen te treffen in het kader van de overgang van die werknemers naar de Duitse wetgeving.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het bezwaar van appellante gegrond verklaard, voor zover dat was gericht tegen de weigering voor twee van de werknemers vanaf 1 januari 1995 een overeenkomst op grond van artikel 17 van de Verordening te sluiten. Ook ten aanzien van deze werknemers heeft gedaagde aangegeven dat in samenspraak met de Duitse autoriteiten, alsnog een zodanige overeenkomst zal worden gesloten dat hun overgang naar het Duitse verzekeringsstelsel eerst met ingang van 1 januari 1997 zal plaatsvinden. Voor het overige heeft gedaagde het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Namens appellante is in beroep - onder meer - aangevoerd dat gedaagde er ten onrechte van uitgaat dat ten aanzien van de zeven werknemers van appellante de Duitse wetgeving van toepassing is, omdat de baggerschepen waarop zij werkzaam zijn aan te merken zijn als zeeschepen, zodat op grond van artikel 13, tweede lid, onder c, van de Verordening de Nederlandse wetgeving op hen van toepassing is. Daarbij is aangevoerd dat nu in de Verordening het begrip zeeschip niet nader is gedefinieerd de nationale Nederlandse wetgeving bepalend is voor de uitleg van dit begrip. Appellante is van oordeel dat de [baggerschip 1] en de [baggerschip 2] op grond van het Nederlandse recht zeeschepen zijn.

Namens appellante is voorts in beroep een brief van de Duitse See-Krankenkasse van 13 september 1996 overgelegd, waarin deze instantie aangeeft van oordeel te zijn dat op de werknemers van appellante niet de Duitse wetgeving van toepassing is. Gedaagde heeft na kennisneming van deze brief aan appellante medegedeeld dat de zeven werknemers van appellante als verplicht verzekerd krachtens de Nederlandse wetgeving zullen worden beschouwd tot het moment waarop over deze kwestie in hoogste rechterlijke instantie is beslist.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard, overwegende dat voor de uitleg van het begrip zeeschip niet de Nederlandse wetgeving bepalend is. Nu in de Verordening dit begrip niet nader is omschreven moet volgens de rechtbank uitgegaan worden van de feitelijke situatie. De rechtbank is vervolgens tot de conclusie gekomen dat een baggerschip uit de aard van zijn functie, het uitbaggeren van ondiepe wateren, niet aangemerkt kan worden als een zeeschip.

In hoger beroep hebben partijen hun standpunten herhaald. Op verzoek van de Raad heeft appellante afschriften van de registratie van de [baggerschip 1] en de [baggerschip 2] in het register als bedoeld in artikel 8:193 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in het geding gebracht, alsmede afschriften van de op grond van de Zeebrievenwet voor deze schepen afgegeven zeebrieven.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt voorop dat gedaagde bij het bestreden besluit heeft geweigerd om vanaf 1 januari 1997 met toepassing van artikel 17 van de Verordening voor zeven werknemers van appellante een overeenkomst te sluiten met de Duitse autoriteiten ertoe strekkende dat de Nederlandse wetgeving op hen van toepassing blijft. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 24 januari 2001 (USZ 01/77 en RSV 01/139) moet een dergelijk besluit aangemerkt worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Voorts stelt de Raad vast dat het geschil tussen partijen in deze procedure niet zozeer betrekking heeft op de vraag of gedaagde terecht afwijzend heeft beslist op het verzoek van appellante om een overeenkomst als bedoeld in artikel 17 van de Verordening te sluiten, maar veeleer op de (prealabele) vraag of gedaagde terecht heeft aangenomen dat op voornoemde werknemers van appellante de Nederlandse wetgeving niet van toepassing is. In het verlengde van zijn uitspraken van 13 maart 1996 (RSV 96/139) en 19 maart 1997 (USZ 97/148) overweegt de Raad dat in het algemeen ervan mag worden uitgegaan dat wanneer een verzoek tot het sluiten van een overeenkomst ex artikel 17 van de Verordening ten aanzien van bepaalde werknemers wordt ingediend ertoe strekkende dat op die personen de Nederlandse wetgeving van toepassing wordt, de betreffende werknemers door de aanvrager als niet verzekerd krachtens het nationale recht moeten worden aangemerkt. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen die het omtrent het sluiten van zo'n overeenkomst bevoegde orgaan, en ook de rechter, nopen om in verband met het verzoek en de daarop te geven beslissing de positie van de werknemers in relatie tot de regelingen betreffende de verplichte verzekering in ogenschouw te nemen. Dit kan onder meer aan de orde zijn in het geval dat die positie niet zonder meer inzichtelijk is in verband met de toepasselijkheid van supra- of internationale regelingen. Een zodanige omstandigheid doet zich hier naar 's Raads oordeel voor, zodat de Raad eerst de vraag zal bespreken of de betreffende werknemers van appellante op grond van de Verordening verplicht verzekerd zijn krachtens de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de zeven werknemers van appellante die werkzaam zijn op de [baggerschip 1] en de [baggerschip 2] op grond van artikel 13, tweede lid, onder c, van de Verordening krachtens de Nederlandse wetgeving verzekerd zijn. In dit artikellid is bepaald dat onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17 van de Verordening op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, de wetgeving van die staat van toepassing is. Het geschil tussen partijen spitst zich derhalve toe op de vraag of de twee hiervoor genoemde baggerschepen zeeschepen zijn als bedoeld in artikel 13, tweede lid, onder c, van de Verordening.

Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EG heeft artikel 13 van de Verordening tot doel aan te wijzen welke nationale regeling van toepassing is en de betreffende werknemers onder de socialezekerheidsregeling van één lidstaat te brengen ten einde samenloop en mogelijke complicaties te voorkomen. Daartoe bepaalt artikel 13, tweede lid, sub a, van de Verordening dat op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent in beginsel de wetgeving van die staat van toepassing is. Artikel 13, tweede lid, sub c bevat een bijzondere bepaling inhoudende dat op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, de wetgeving van die staat van toepassing is.

De Raad ziet zich derhalve geplaatst voor de vraag of in het onderhavige geval gesproken moet worden van werknemers die aan boord van een zeeschip dat onder de Nederlandse vlag vaart hun werkzaamheden uitoefenden.

In artikel 8:2 BW is bepaald dat onder zeeschepen worden verstaan de schepen, die te boek staan in het in artikel 8:193 BW genoemde register, alsmede de schepen, die noch in dit register, noch in het in artikel 8:783 BW genoemde register te boek staan en blijkens hun constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor drijven in zee zijn bestemd. Uit deze bepaling vloeit voort dat een schip dat te boek is gesteld in het zeeschepenregister als bedoeld in artikel 8:193 BW reeds op die grond een zeeschip is. Blijkens het bepaalde in artikel 8:194 e.v. BW kunnen slechts schepen die aan een aantal vereisten voldoen in dit register worden geregistreerd. De kwalificatie als zeeschip leidt er voorts toe dat op grond van het Wetboek van Koophandel de bepalingen van het zeerecht op dergelijke schepen van toepassing zijn, waaronder bepalingen omtrent de arbeidsverhouding met de kapitein en schepelingen en omtrent de monsterrol en monsterboekjes.

De [baggerschip 1] en de [baggerschip 2] zijn blijkens de namens appellante overgelegde uittreksels uit het zeeschepenregister in dat register ingeschreven en voorts zijn voor deze schepen zeebrieven afgegeven op grond van de Zeebrievenwet. Hieruit volgt naar 's Raads oordeel reeds dat deze twee baggerschepen, gelet op het hiervoor overwogene, zeeschepen zijn naar Nederlands recht. Voor dit oordeel vindt de Raad steun in de door appellante overgelegde brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat van 16 augustus 1995, waarin is aangegeven dat een baggerschip dat in het bezit is van een zeebrief een Nederlands zeeschip is. Verder blijkt uit het feit dat de op voornoemde schepen werkzame werknemers beschikken over een monsterboekje dat zij als bemanningsleden van een zeeschip worden behandeld. De door gedaagde overgelegde nota aan de Commissie Verzekeringsaangelegenheden heeft de Raad ten slotte niet tot een ander oordeel kunnen brengen, nu in die nota geen onderscheid wordt gemaakt tussen baggerschepen die op grond van artikel 8:2 BW wel een zeeschip zijn naar Nederlands recht en baggerschepen die niet aan de in dat artikel gestelde voorwaarden voldoen.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het naar Nederlands recht geen twijfel lijdt dat in het onderhavige geval van zeeschepen die onder Nederlandse vlag varen moeten worden gesproken. Bij gebreke van elke aanwijzing in de Verordening in tegengestelde zin, ziet de Raad geen enkel aanknopingspunt om in het kader van de toepassing van de Verordening een andere uitleg aan de term (onder Nederlandse vlag varend) zeeschip te gegeven dan uit bovenstaande overwegingen voortvloeit. In dat verband merkt de Raad nog op dat partijen zich op het standpunt hebben gesteld dat de hen verdeeld houdende vraag door het Nederlandse recht dient te worden beslist. De Raad acht zich echter gelet op het voorgaande niet gehouden de in dit geding aan de orde zijnde vraag van gemeenschapsrecht te verwijzen naar het Hof van Justitie EG, nu immers redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan aan de uitleg van het gemeenschapsrecht in deze.

Dit alles leidt tot de slotsom dat de [baggerschip 1] en de [baggerschip 2] zeeschepen zijn als bedoeld in artikel 13, tweede lid, onder c, van de Verordening, zodat op de op deze baggerschepen werkzame werknemers van appellante de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing is. Dit oordeel brengt mee dat gedaagde terecht, zij het op onjuiste gronden, heeft geweigerd een overeenkomst als bedoeld in artikel 17 van de Verordening met de Duitse autoriteiten te sluiten met betrekking tot deze werknemers ertoe strekkende dat de Nederlandse wetgeving op hen van toepassing blijft. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd, zij het met wijziging van gronden.

De Raad acht gelet op het hiervoor overwogene termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Hierbij merkt de Raad met het oog op het Besluit proceskosten bestuursrecht nog op dat gelet op de complexiteit van het onderhavige geding een waardering als "zwaar" gerechtvaardigd is. De proceskosten worden derhalve begroot op € 1.207,50 voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 1.207,50 in hoger beroep, te betalen door gedaagde.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, ziet de Raad voorts aanleiding te bepalen dat gedaagde aan appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 467,39 (voorheen f 1.030,-) dient te vergoeden.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2.415,- te betalen door gedaagde;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde recht van € 467,39 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 april 2002.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x