Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AE8717
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-09-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is betrokkene terecht verplicht verzekerd geacht ten aanzien van zijn arbeidsverhouding met verzekeringsmaatschappij I respectievelijk verzekeringsmaatschappij II, primair op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en subsidiair op grond van artikel 5, onderdeel d, van die wetten juncto artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 00/5719 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 20 september 1999 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 3 februari 1999, waarbij appellant heeft medegedeeld dat gedaagde verplicht verzekerd wordt geacht ten aanzien van zijn arbeidsverhouding met [naam verzekeringsmaatschappij I] Personeels N.V. (hierna: [naam verzekeringsmaatschappij I]) respectievelijk [Verzekeringsmaatschappij II] Personeel B.V. (hierna: [Verzekeringsmaatschappij II]), primair op grond van artikel 3 van de diverse sociale werknemersverzekeringswetten en subsidiair op grond van artikel 5, onder d, van voornoemde wetten juncto artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 1986, 655 (hierna: KB).

De Rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 26 september 2000 het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en appellant gelast het door gedaagde gestorte griffierecht te vergoeden.

Op bij aanvullend beroepschrift van 3 januari 2001 aangevoerde gronden is appellant van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde, heeft mr. J. Börnemann, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam, bij brief van 3 april 2001 een verweerschrift (met bijlage) ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 juli 2002, waar appellant is vertegenwoordigd door mr. M.P. Romijn, werkzaam bij het Uwv. Namens gedaagde is verschenen mr. G.J.A. van Dijk, kantoorgenoot van mr. Börnemann, voornoemd.




II. MOTIVERING


Voor zijn oordeelsvorming neemt de Raad met de rechtbank als vaststaand aan de volgende, door partijen niet betwiste, feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak, waarbij gedaagde wordt aangeduid als eiser en appellant als verweerder.
"[Naam verzekeringsmaatschappij I] Zorgverzekeringen N.V. en [naam verzekeringsmaatschappij I] Schadeverzekeringen N.V. (hierna gezamenlijk te noemen [naam verzekeringsmaatschappij I]) en eiser hebben met ingang van 1 januari 1995 een overeenkomst afgesloten, waarbij eiser, verzekeringsgeneeskundige en orthopedisch chirurg, zich heeft verbonden voor [naam verzekeringsmaatschappij I] werkzaamheden betrekking hebbend op verzekeringsgeneeskundige adviezen te verrichten. Volgens de in het dossier aanwezige, overigens niet ondertekende, overeenkomst van 27 november 1995, zal eiser [naam verzekeringsmaatschappij I] desgevraagd dan wel uit eigener beweging adviseren omtrent alle medische en medisch-sociale aangelegenheden. Voorts zijn in deze overeenkomst onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
- de werkzaamheden hebben betrekking op verzekeringsgeneeskundige adviezen en worden gedetailleerd beschreven in de beroepscode, die als onderdeel van deze overeenkomst zal worden beschouwd. De Beroepscode voor geneeskundig adviseurs, werkzaam bij particuliere verzekeringsmaatschappijen, is op deze overeenkomst van toepassing verklaard en maakt een onverbrekelijk deel uit van deze overeenkomst;
- de geneeskundige kan, indien en voor zover [naam verzekeringsmaatschappij I] hem hieromtrent uitdrukkelijk en schriftelijk verzoekt, namens [naam verzekeringsmaatschappij I] beslissingen nemen ter zake van aangelegenheden, waarvan de afdoening hem door [naam verzekeringsmaatschappij I] is gedelegeerd;
- [naam verzekeringsmaatschappij I] kan de geneeskundige uitdrukkelijk en schriftelijk machtigen om [naam verzekeringsmaatschappij I] in bepaalde duidelijk omschreven gevallen te vertegenwoordigen;
- de geneeskundige zal de contacten met de door [naam verzekeringsmaatschappij I] te noemen zorgaanbieders onderhouden en, mede op basis van deze contacten, [naam verzekeringsmaatschappij I] op medisch verantwoorde wijze adviseren omtrent het beoordelen van schadegevallen;
- voor een deskundige en zorgvuldige uitoefening van de genoemde werkzaamheden, dient de geneeskundige op de hoogte te zijn en te blijven van alle relevante ontwikkelingen binnen de medische wetenschap;
- de geneeskundige voert de opdracht geheel naar eigen inzicht en goeddunken uit, daarbij geleid door de Beroepscode. Tussen partijen bestaat geen enkele gezagsverhouding;
- de ten behoeve van [naam verzekeringsmaatschappij I] te verrichten werkzaamheden zullen voor wat betreft de tijdsbesteding per week maximaal 16 uren beslaan. In onderling overleg kan hiervan worden afgeweken.

Met ingang van 1 januari 1997 verricht eiser alleen nog advieswerkzaamheden voor [naam verzekeringsmaatschappij I] Zorgverzekeringen N.V., voor circa 12 uur per week. Eiser is de enig medisch adviseur van [naam verzekeringsmaatschappij I]. In de regel verricht eiser op twee dagen per week zijn advieswerkzaamheden op het kantoor van [naam verzekeringsmaatschappij I] te [naam vestigingsplaats]. Eiser geeft aan medewerkers van [naam verzekeringsmaatschappij I] medische adviezen over schadegevallen en verzekeringsaanvragen. Zijn adviezen zijn niet bindend voor [naam verzekeringsmaatschappij I]. Eiser ontvangt geen instructies van [naam verzekeringsmaatschappij I]. Eiser geeft ruim van tevoren aan wanneer hij niet aanwezig is, zodat de medewerkers van [naam verzekeringsmaatschappij I] daarmee rekening kunnen houden. Wanneer eiser niet aanwezig is, worden zijn werkzaamheden waargenomen door medici van [naam verzekeringsmaatschappij I] zelf of van een zusteronderneming van [naam verzekeringsmaatschappij I]. Eiser ontvangt een vergoeding per uur. Voorts neemt eiser namens [naam verzekeringsmaatschappij I] deel aan regulier overleg van medisch adviseurs, werkzaam voor diverse verzekeringsmaatschappijen. Naast zijn werkzaamheden voor [naam verzekeringsmaatschappij I], besteedt eiser 60% van zijn tijd als vrijgevestigd orthopedisch chirurg in het [naam Ziekenhuis] te [naam vestigingsplaats] en 10% van zijn tijd als medicus voor de balletacademie in [naam vestigingsplaats II]."

De rechtbank is bij aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat de arbeidsverhouding van gedaagde met [naam verzekeringsmaatschappij I] dan wel [Verzekeringsmaatschappij II] niet is aan te merken als een privaatrechtelijke dienstbetrekking omdat, hoewel een persoonlijke dienstverrichting wel aanwezig werd geacht, niet is voldaan aan één van de daarvoor geldende voorwaarden, te weten het bestaan van een gezagsverhouding. De rechtbank is van oordeel dat appellant de stelling dat een medisch adviseur bij de beoordeling van schadegevallen en verzekeringsaanvragen een onmisbare schakel is en wezenlijk is voor de bedrijfsvoering niet met voldoende concrete gegevens heeft onderbouwd. Voorts is de rechtbank niet gebleken van een bepaald kader waarbinnen gedaagde dient te functioneren, noch van bepaalde afspraken waarbinnen een advies gereed dient te zijn. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat het advies van gedaagde niet bindend is. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van appellant heeft de rechtbank geoordeeld dat de rechtbank niet kan inzien dat de werkzaamheden van gedaagde als medisch adviseur niet voldoende aansluiten bij en niet vreemd zijn aan de aard van de overige werkzaamheden van gedaagde. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de advieswerkzaamheden volledig medisch van aard en worden deze verricht door gedaagde als zijnde arts. Het subsidiaire standpunt van appellant heeft eveneens geen stand kunnen houden.

Appellant heeft in zijn aanvullend hoger beroepschrift en ter zitting van de Raad grieven aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het primaire standpunt heeft appellant opgemerkt dat het bestaan van een gezagsverhouding aanwezig wordt geacht aangezien de werkzaamheden van gedaagde een wezenlijk onderdeel vormen en ingekaderd zijn in een commerciële organisatie [naam verzekeringsmaatschappij I]/[Verzekeringsmaatschappij II], waarbij gedaagde de werkzaamheden op een vooraf overeengekomen tijdstip en op vooraf vastgestelde vaste dagen diende te verrichten. Met betrekking tot het subsidiaire standpunt heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank een te ruime uitleg heeft toegekend aan het begrip "aansluiten en niet vreemd zijn aan". Appellant geeft aan dat er een onderscheid moet worden gemaakt in de werkzaamheden van gedaagde als vrijgevestigd orthopedisch chirurg en die van medisch adviseur. Appellant is van mening dat het werk als medisch adviseur zoals dat door gedaagde wordt uitgeoefend een essentieel onderdeel vormt van en structureel zijn ingekaderd in de bedrijfsvoering van [Verzekeringsmaatschappij II]. Het advieswerk van gedaagde vormt hierin een essentiële en onmisbare schakel in het proces van de claimbehandeling waardoor het moeilijk voorstelbaar is dat deze werkzaamheden als zelfstandige verricht worden.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of appellant terecht verzekeringsplicht heeft aangenomen voor de werkzaamheden die gedaagde heeft verricht voor [naam verzekeringsmaatschappij I] gedurende de perioden 1 januari 1995 tot en met 31 december 1998, respectievelijk voor [Verzekeringsmaatschappij II] vanaf 1 januari 1999, primair op grond van artikel 3 van de diverse sociale werknemersverzekeringswetten en subsidiair op grond van artikel 5, onder d, van voornoemde wetten juncto artikel 5 van het KB.

De Raad overweegt als volgt.

Ten aanzien van het primaire standpunt onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. De Raad is van oordeel dat de werkzaamheden van gedaagde, die hij naar eigen inzicht en deskundigheid als medicus verricht, louter van adviserende aard zijn, welke voor [naam verzekeringsmaatschappij I]/[Verzekeringsmaatschappij II] geen bindend karakter hebben. Dat de werkzaamheden, zoals door appellant is aangevoerd, een dusdanig wezenlijk onderdeel vormen van de organisatie van [naam verzekeringsmaatschappij I]/[Verzekeringsmaatschappij II], kan een aanwijzing vormen voor het bestaan van een gezagsverhouding, maar dit betekent niet dat bij gebreke van andere aanwijzingen deze gezagsverhouding ook is gegeven. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd concrete aanknopingspunten naar voren te brengen op grond waarvan moet worden aangenomen dat sprake is van een sturende rol van de kant van [naam verzekeringsmaatschappij I]/[Verzekeringsmaatschappij II] dan wel van andere omstandigheden waaruit onmiskenbaar blijkt dat gedaagde zich bij zijn advieswerkzaamheden diende te houden aan aanwijzingen van de zijde van [naam verzekeringsmaatschappij I]/[Verzekeringsmaatschappij II]. De Raad ziet deze ook niet gelegen in de Beroepscode die op gedaagde van toepassing is en onderschrijft de overwegingen die de rechtbank daaromtrent heeft gegeven. Voorts is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat de werkzaamheden op vaste dagen en volgens een vast aantal uur per week in een van te voren afgesproken rooster wordt uitgeoefend, veeleer is ingegeven door de praktische organisatie van gedaagde als vrijgevestigd orthopedisch chirurg dan dat deze is voorgeschreven door [naam verzekeringsmaatschappij I]/[Verzekeringsmaatschappij II]. Gelet op het vorenstaande kunnen de grieven ten aanzien van het primaire standpunt van appellant niet slagen.

Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van appellant is de Raad van oordeel dat ook deze dienen te falen. Gelet op het bepaalde in artikel 8, eerste lid en onder a, van het KB wordt voor de toepassing van de artikelen 1, 4 en 5, niet als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon die arbeid verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Uit de gedingstukken is gebleken dat gedaagde voor 60% werkzaam is als vrijgevestigd orthopedisch chirurg in het [naam Ziekenhuis] te [naam vestigingsplaats]. Daarnaast verricht gedaagde 10% van zijn tijd als medicus voor de balletacademie te [naam vestigingsplaats II]. De Raad is van oordeel dat, het vorenstaande in ogenschouw genomen, het geven van onderhavige medische adviezen in het verlengde liggen van de uitoefening van het zelfstandig medisch beroep van orthopedisch chirurg zoals deze door gedaagde in praktijk gebracht wordt. De Raad is van oordeel dat gedaagde de advieswerkzaamheden heeft verricht in de zelfstandige uitoefening van zijn beroep. Derhalve dient ook het hoger beroep van appellant ten aanzien van het subsidiaire punt te falen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

De Raad stelt tot slot vast dat ingevolge artikel 22, derde lid, van de Beroepswet, van het bestuursorgaan een griffierecht van € 327,-- dient te worden geheven.

Derhalve wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt het bestuursorgaan in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 327,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 september 2002.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.H. Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x