Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AF5675
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-11-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is het betrokken bedrijf in het kader van de WAO terecht ingedeeld in de categorie grote werkgevers, zodat het gedifferentieerde premiepercentage in 1999 2,33% bedraagt? Stelt het bedrijf terecht dat het besluit tot premiedifferentiatie onvoldoende is gemotiveerd, daar aan haar onvoldoende inzicht is gegeven in de medische achtergronden van de werknemer toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering en dat artikel 88c van de WAO strijdig is met artikel 6 van het EVRM voor zover dit artikel voorschrijft dat het beroep wordt ingediend door een arts die gemachtigde is en die ter zake in de plaats treedt van de werkgever?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/5504 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 15 oktober 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 21 november 1998, waarbij aan haar is medegedeeld dat zij in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is ingedeeld in de categorie grote werkgevers en dat het gedifferentieerde premiepercentage in 1999 2,33% bedraagt.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 29 augustus 2000 het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende is bij gemachtigde mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, op bij aanvullend beroepschrift van 9 maart 2001 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift gedateerd 13 augustus 2001 ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 oktober 2002, waar voor appellante is verschenen mr. J.P.M. van Zijl, voornoemd, terwijl gedaagde zich bij die gelegenheid heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.M. van Bezu, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 15 oktober 1999 heeft gedaagde het standpunt gehandhaafd dat voor appellante de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in het premiejaar 1999 2,33% bedraagt. De hoogte van deze gedifferentieerde premie is gebaseerd op de in het jaar 1997 ten behoeve van de (ex)werknemer van belanghebbende [naam werknemer] (hierna: werknemer) betaalde uitkering ingevolge de WAO.
Aangezien de werknemer geen toestemming heeft verleend om zijn medische gegevens aan gedaagde te verstrekken, heeft gedaagde een transcriptie van de betreffende medische en arbeidskundige gegevens aan belanghebbende ter beschikking gesteld.

Tijdens de bezwaarschriftprocedure en de procedure in eerste aanleg heeft appellante het standpunt ingenomen dat het besluit tot premiedifferentiatie onvoldoende is gemotiveerd, daar aan haar onvoldoende inzicht is gegeven in de medische achtergronden van de werknemer toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering en dat artikel 88c van de WAO strijdig is met artikel 6 van het EVRM voor zover dit artikel voorschrijft dat het beroep wordt ingediend door een arts die gemachtigde is en die ter zake in de plaats treedt van de werkgever.
Voorts heeft appellante aangevoerd dat de vaststelling van de gedifferentieerde premie in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu het systeem van premiedifferentiatie tot gevolg heeft dat eigen risicodragers niet en andere werkgevers wel nadelige gevolgen ondervinden van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die voor 1 januari 1998 zijn toegekend.

Gedaagde heeft zich in verband met het bepaalde in artikel 88c van de WAO op het standpunt gesteld dat, in het geval dat de werknemer geen toestemming verleent om de werkgever inzage in zijn medische stukken te geven, inzage in deze stukken is voorbehouden aan een arts-gemachtigde.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het voorschrift van de inschakeling van een arts-gemachtigde, in het geval dat sprake is van een weigering van een werknemer, niet in strijd is met artikel 6 van het EVRM.
Gelet op de door de in de WAO opgenomen keuzemogelijkheid om al dan niet eigenrisicodrager te worden, waarvan de consequenties voldoende duidelijk blijken uit de Pemba-wetgeving en de daarbij behorende toelichting, heeft de rechtbank geoordeeld dat van strijd met het gelijkheidsbeginsel geen sprake is.

Naar aanleiding van de inmiddels gevormde jurisprudentie van de Raad terzake van de onderhavige materie heeft appellante ter zitting van de Raad haar standpunten opnieuw geformuleerd.
Appellante houdt - kort samengevat - vast aan het eerder ingenomen standpunt dat aan appellante zelf volledige inzage moet worden gegeven in de (medische en arbeidskundige) stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit tot toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan haar werknemer. Voorts acht zij het in strijd met artikel 6 EVRM dat zij, anders dan gedaagde en de werknemer, de werknemer niet heeft kunnen laten onderzoeken door een arts van haar keuze.
Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 november 1993, gepubliceerd in BNB 1994/36, stelt appellante dat ook in het geval dat de werkgever de keuzevrijheid heeft om eigenrisicodrager te worden ongelijke behandeling van gelijke gevallen kan bestaan.
Ten slotte maakt appellante aanspraak op een onvoorwaardelijke proceskostenveroordeling. Hiervoor bestaat naar het oordeel van appellante aanleiding, daar zij gedwongen was om beroep in te stellen ten einde kennis te kunnen nemen van de medische gegevens, die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit tot toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 juli 2002, kenmerk 00/515 WAO, overgelegd.

Tijdens de behandeling van het onderhavige geval ter zitting van de Raad heeft gedaagde de Raad verzocht om bij de beoordeling van het onderhavige geschil aan te sluiten bij de inmiddels gevormde jurisprudentie van de Raad, de aangevallen uitspraak te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank.

Ten aanzien van het voorafgaande overweegt de Raad als volgt.

Zoals de Raad reeds heeft overwogen in de uitspraken van 20 juli 2001, gepubliceerd in USZ 2001/197, USZ 2001/199, RSV 2001/205 en RSV 2001/232, dient in een procedure, zoals de onderhavige, in verband met de in artikel 6 van het EVRM opgenomen eis van de "equality of arms" geen onverkorte toepassing te worden gegeven aan de medische besluitenregeling opgenomen in de artikelen 88 tot en met 88i van de WAO. Blijkens deze uitspraken wordt naar het oordeel van de Raad aan de hiervoor genoemde elementaire eis wel voldaan, indien - de artikelen 88c en 88g van de WAO in zoverre buiten toepassing latend - in de procedures in beroep en in hoger beroep door de administratieve rechter, met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, wordt bepaald dat inzage dan wel de kennisneming of toezending van medische gegevens van de werknemer is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is dan wel daartoe van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen en dat deze gemachtigde(n) - voor zover het de medische gegevens betreft - in de plaats van de werkgever treedt (treden). Daarbij onderkent de Raad de werkgever aldus niet op geheel gelijke voet als de werknemer en het bestuursorgaan aan het geding kan deelnemen, doch de Raad is van mening dat diens gemachtigde in staat moet worden geacht om, al dan niet in samenwerking een arts, de belangen van de werkgever in voldoende te behartigen. Het nog resterende verschil in behandeling brengt werkgevers naar het oordeel van de Raad in ieder geval niet in een wezenlijk nadeliger positie ("a substantial disadvantage vis-a-vis his opponent") ten opzichte van de andere partijen, als bedoeld in de rechtspraak van het EHRM (vgl. arresten Dombo Beheer BV vs Nederland, NJ 1994, 534 en Ankerl vs Zwitserland NJ 1988, 344). Dit laatste geldt ook met betrekking tot het standpunt van belanghebbende dat zij de werknemer niet door een arts van haar keuze kan laten onderzoeken.

De Raad volgt appellante voorts niet in haar oordeel dat gedaagde reeds in de bezwaarschriftprocedure de artikelen 88c tot en met 88g in de hiervoor bedoelde zin buiten toepassing had moeten laten. Blijkens zijn uitspraak van 13 februari 2002, gepubliceerd in USZ 2002/101 en RSV 2002/130, is de Raad van oordeel dat de in dit geding aan de orde zijnde elementen van artikel 6 van het EVRM uitsluitend zien op procedures van rechterlijke aard. Derhalve kan een bestuursorgaan naar het oordeel van de Raad niet worden geacht te zijn gehouden om in de bezwaarschriftprocedure af te wijken van de medische besluitenregeling, met name van artikel 88c van de WAO.

Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat in de procedure in eerste aanleg sprake is geweest van schending van artikel 6 van het EVRM.
Hoewel uit de rechtspraak van het EHRM voortvloeit dat schending van artikel 6 EVRM in hoger beroep kan worden hersteld, is de Raad, gelet op de aard van de procedure en ter voorkoming van onnodige procedures in hoger beroep, van oordeel dat met in achtneming van de hiervoor genoemde uitgangspunten in twee rechterlijke instanties moet kunnen worden geprocedeerd over de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad acht derhalve termen aanwezig het geding met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef, en onder b, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank.

De Raad ziet in de verwijzing van belanghebbende naar het arrest van de Hoge Raad van 17 november 1993, gepubliceerd in BNB 1994/36, geen aanleiding om terug te komen op zijn in de hiervoor aangehaalde jurisprudentie opgenomen standpunt dat reeds op grond van in de wet voorziene mogelijkheid van het maken van een keuze van de werkgever om al dan niet zelf gedurende een periode van vijf jaar het risico van betaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering moet worden vastgesteld dat geen sprake kan zijn van ongelijke bejegening van de eigen risico dragende en de niet eigen risico dragende werkgever. Anders dan in het door de Hoge Raad in voornoemd arrest besproken geval, heeft de wetgever met de invoering van de wet Pemba om de werkgevers te activeren tot en aan te spreken op preventie van arbeidsongeschiktheid en reďntegratie van arbeidsongeschikt geworden werknemers twee instrumenten geďntroduceerd, de gedifferentieerde premie en het eigen risico dragen. Beide instrumenten staan voor alle werkgevers open. Dat deze instrumenten ter berekening van de werkgeverslasten ingevolge de wet Pemba ieder een eigen systematiek kennen, levert naar het oordeel van de Raad op zichzelf geen strijd met het gelijkheidsbeginsel op.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. Nu de rechtbank zich over de inhoudelijke aspecten van het onderhavige geval nog dient uit te spreken, ziet de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb voorwaardelijk - voor het geval het bestreden besluit niet in stand kan blijven - te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. In hetgeen namens appellante is aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken.
De proceskosten in hoger beroep worden begroot op € 644,--.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Breda;
Veroordeelt gedaagde voorwaardelijk in de proceskosten in hoger beroep van appellante tot een bedrag groot € 644,--;
Bepaalt dat gedaagde het griffierecht ad € 327,-- aan appellante dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2002.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x