Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AF7210
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-03-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van correctie- en boetenota's over de periode in geding, waarbij de hoogte van de vastgestelde boetes ambtshalve in overeenstemming is gebracht met de ernst van het verzuim en deze is vastgesteld op 5% van de ambtshalve vastgestelde premie. De betrokken freelancers hebben persoonlijk door tussenkomst van het betrokken bedrijf werkzaamheden verricht voor derden waarbij het betrokken bedrijf op basis van facturering een vergoeding heeft betaald aan die freelancers.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/2973 ALGEM en 00/3001 ALGEM




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: belanghebbende,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hierna: het bestuursorgaan.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het bestuursorgaan tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 16 december 1998 heeft het bestuursorgaan ongegrond verklaard de bezwaren van belanghebbende tegen besluiten van 9 december 1997 en 15 december 1997 waarbij aan haar aanvullende premienota's over de jaren 1992 en 1993 en boetenota's over deze jaren zijn opgelegd. Het bestuursorgaan heeft echter wel aanleiding gezien de hoogte van de vastgestelde boetes ambtshalve in overeenstemming te brengen met de ernst van het verzuim en deze vast te stellen op 5% van de ambtshalve vastgestelde premie.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 13 april 2000 het namens belanghebbende tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voorzover het betreft de besluitvorming van het bestuursorgaan inzake de vaste onkostenvergoeding en de boetenota's hieromtrent, het beroep voor het overige ongegrond verklaard, het bestuursorgaan veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en bepaald dat het bestuursorgaan het door belanghebbende gestorte griffierecht vergoedt.

Namens belanghebbende is mr. L.F. Nijenhuis, werkzaam bij Legal House BV te Tiel, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 15 augustus 2000 aangevoerde gronden van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Het bestuursorgaan is op bij aanvullend beroepschrift van 13 september 2000 aangevoerde gronden van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Het bestuursorgaan heeft een verweerschrift, gedateerd 19 september 2002, ingediend.
Namens belanghebbende is een verweerschrift (met bijlagen), gedateerd 20 december 2000, ingediend.

Bij brief van 14 januari 2003 en nogmaals bij fax van 22 januari 2003 is namens belanghebbende verzocht om aanhouding van de zitting.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 januari 2003, waar belanghebbende, met bericht van verhindering, niet is verschenen. Het bestuursorgaan heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.B. Smaalders, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop geen aanleiding te zien de kort voor de zitting gedane verzoeken tot uitstel in te willigen. Belanghebbende was ook, blijkens de uitnodigingsbrief van 28 november 2002, reeds geruime tijd op de hoogte van de datum waarop de zitting zou plaatsvinden en voorts acht de Raad zich door de onderliggende gedingstukken voldoende voorgelicht.

Blijkens het zich onder deze gedingstukken bevindende uittreksel uit het handelsregister luidt de bedrijfsomschrijving van belanghebbendes bedrijf: "dienstverlening op het gebied van automatisering".

Naar aanleiding van een in januari/februari 1997 van de kant van het bestuursorgaan gehouden looncontrole heeft het bestuursorgaan aan belanghebbende uitgereikt correctie- en boetenota's over de jaren 1992 en 1993. Deze correctienota's hebben betrekking op de verzekeringsplicht van de freelancers de heer [naam freelancer I] en de heer [naam freelancer II], alsmede op de vaste onkostenvergoeding. Het bestuursorgaan heeft zich op het standpunt gesteld dat bovengenoemde freelancers in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding staan, zodat alsnog hiervoor premielonen moeten worden vastgesteld. Met betrekking tot de vaste onkostenvergoeding is het bestuursorgaan van oordeel dat een deel daarvan als bovenmatig moet worden aangemerkt, zodat deze alsnog ten dele in de premieheffing werknemersverzekeringen moeten worden betrokken.

In bezwaar heeft, dit in verband met enerzijds een beroep op de zelfstandigheid van de freelancers en anderzijds in verband met het alsnog overleggen van een lijst van kostencategorieŽn om de uitbetaalde onkostenvergoedingen aannemelijk te maken, de looninspecteur een aanvullend looncontrolerapport van 27 oktober 1997 uitgebracht.
Bij het bestreden besluit zijn de correctienota's gehandhaafd en zijn de boetenota's teruggebracht tot 5% van de ambtshalve vastgestelde premies.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de premienota's in stand gelaten voorzover betrekking hebbend op de verzekeringsplicht van de freelancers [naam freelancer I] en [freelancer II], van oordeel zijnde dat tussen belanghebbende en [naam freelancer I] en [freelancer II] in 1992 en 1993 sprake was van een arbeidsrelatie in de zin van artikel 3 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986 (Stb. 655) hierna: het KB. Immers, door de medewerkers zijn persoonlijk door tussenkomst van belanghebbende werkzaamheden verricht voor derden waarbij belanghebbende op basis van facturering een vergoeding heeft betaald aan die medewerkers.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank evenwel de premie- en boetenota's voorzover betrekking hebbende op de vaste onkostenvergoeding niet in stand gelaten. Daarbij heeft zij betekenis toegekend aan de in de bezwaarfase gegeven nadere onderbouwing van de onkostenvergoeding, waaruit naar voren komt dat naast de posten "auto en consumpties en lunches onderweg", welke zien op ambulant personeel, de onkostenvergoeding tevens ziet op de posten "kantoorartikelen, vakliteratuur en abonnementen, representatiekosten en telefoon". Nu laatstgenoemde posten, aldus de rechtbank, niet zien op een vergoeding van kosten die een medewerker vanwege het bijzondere, ambulante, karakter van zijn functie maakt, kan het bestuursorgaan deze onderbouwing niet terzijde schuiven met de enkele overweging dat niet gebleken is dat de medewerkers die kosten in de uitoefening van hun ambulante functie hebben moeten maken.

Beide partijen zijn in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep van belanghebbende richt zich op het oordeel van de rechtbank dat tussen belanghebbende en de hierboven genoemde freelancers in de jaren 1992 en 1993 sprake was van een arbeidsrelatie in de zin van artikel 3 van het KB. Het hoger beroep van het bestuursorgaan ziet op de gegrondverklaring van het beroep en het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op het punt van de onkostenvergoeding aan een onderzoeksgebrek lijdt.

De Raad ziet zich derhalve allereerst voor de vraag gesteld of het bestuursorgaan terecht het standpunt heeft ingenomen dat de zelfstandig gevestigde freelancers die belanghebbende in de betrokken jaren in voorkomende gevallen bij derden heeft tewerk gesteld op grond van artikel 5 van de sociale werknemersverzekeringswetten in samenhang met artikel 3 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986 (Stb. 655) verplicht verzekerd waren en deswege belanghebbende over de door haar aan deze freelancers verrichte betalingen premies ingevolge deze wetten had moeten afdragen.

Met de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend.

De Raad heeft hierbij overwogen dat de beschikbare gegevens genoegzame concrete aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat tussen de heer [naam freelancer I] en de heer [freelancer II] en belanghebbende een arbeidsverhouding bestond, als omschreven in artikel 3, eerste lid, van het KB, zijnde een arbeidsverhouding van de persoon die persoonlijk arbeid verricht ten behoeve van een derde door tussenkomst van de natuurlijk persoon tot wie of van het lichaam tot welk de arbeidsverhouding bestaat. Immers, [naam freelancer I] en [freelancer II] verrichtten metterdaad persoonlijk arbeid voor derden door tussenkomst van belanghebbende, op wie de verplichting rustte tot loonbetaling.
Met name het gestelde in voormelde looncontrolerapporten door de betrokken freelancers zelf stelt buiten twijfel dat er sprake was van een situatie van tussenkomst in omschreven zin.

Aan de toepasselijkheid van het bepaalde in artikel 5, aanhef en onder d, van de sociale werknemersverzekeringswetten, in samenhang met artikel 3 van het KB, stond ten tijde van het bestreden besluit niet in de weg het namens belanghebbende benadrukte zelfstandig ondernemersschap van [naam freelancer I] en [freelancer II]. Pas na de inwerkingtreding van het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 augustus 1998, Stcrt. 161, vindt artikel 3 van het KB geen toepassing ten aanzien van de persoon die arbeid verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep.

Het bestuursorgaan is in hoger beroep gekomen, omdat hij zich - kort samengevat - niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op het punt van de onkostenvergoeding aan een onderzoeksgebrek lijdt.

Naar aanleiding van in januari/februari 1997 van de kant van het bestuursorgaan gehouden looncontrole zijn aan belanghebbende correctienota's van 9 december 1997 uitgereikt met betrekking tot de jaren 1992 en 1993. Deze correctienota's hebben, voor zover in hoger beroep van belang voor het bestuursorgaan, betrekking op onkostenvergoedingen die belanghebbende aan haar werknemers heeft verstrekt. Het bestuursorgaan heeft zich op het standpunt gesteld dat deze onkostenvergoedingen ten dele als bovenmatig moeten worden aangemerkt, zodat deze alsnog ten dele in de premieheffing werknemersverzekeringen moeten worden betrokken.

In bezwaar heeft de looninspecteur mede naar aanleiding van belanghebbendes poging om de uitbetaalde vaste onkostenvergoedingen verder aannemelijk te maken, een aanvullend looncontrolerapport van 27 oktober 1997 uitgebracht.
Bij het bestreden besluit heeft het bestuursorgaan met inachtneming van de bevindingen van dit aanvullend controlerapport de bovenmatigheid van de onkostenvergoeding bevestigd.

De Raad ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of dit onderdeel van het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad stelt voorop dat de hoofdregel van artikel 4 van de CoŲrdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) luidt dat al hetgeen uit (tegenwoordige) dienstbetrekking wordt genoten loon vormt voor de premieheffing werknemersverzekeringen.

Een uitzondering hierop wordt onder meer gemaakt in artikel 6, eerste lid, onder k, van de CSV, waarin is bepaald dat niet tot het loon behoren vergoedingen voor zover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van de kosten.

Gegeven het uitzonderingskarakter van deze bepaling op de hoofdregel ligt het op de weg van degene die een beroep doet op deze bepaling aannemelijk te maken dat een dergelijke uitzondering zich voordoet.

De Raad is op basis van de stukken met het bestuursorgaan van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vaste onkostenvergoeding volledig ter dekking van reŽle kosten heeft gestrekt.

De Raad heeft hierbij het volgende overwogen.

Indien een werkgever een afzonderlijk bedrag uitkeert als vergoeding voor beroepskosten, dan is voor de toepasselijkheid van artikel 6, eerste lid, onder k, van de CSV niet vereist dat uitdrukkelijk vaststaat op welke beroepskosten deze vergoeding betrekking heeft. Maar ook in dat geval blijft voor de werkgever de verplichting bestaan om voldoende aannemelijk te maken dat er kosten zijn gemaakt en dat deze kosten ter dekking van reŽle kosten hebben gestrekt. De werkgever kan dit bereiken door gedurende een bepaalde periode alsnog gespecificeerd bij te houden welke kosten daadwerkelijk worden gemaakt door de desbetreffende werknemers.
In dit verband stelt de Raad vast dat blijkens de onder de gedingstukken bevindende arbeidsovereenkomst de vergoeding van f 150,-- (Ä 68,07) per maand bestemd was voor parkeerkosten en tolgeld, waaraan mondeling nog telefoonkosten werden toegevoegd. Deze onkosten zien op ambulant personeel. Aangezien blijkens de looncontrolerapporten de werknemers veelal aanzienlijk langer dan 20 dagen op een bepaalde werkplek te werk werden gesteld, kan er in casu niet gesproken worden van ambulant personeel en zijn de vergoedingen terecht voor een deel als bovenmatig aangemerkt. De van de kant van belanghebbende eerst in de bezwaarfase overgelegde lijst waarop kostencategorieŽn worden vermeld die zich zouden hebben voorgedaan, vormt een ontoereikende grondslag voor het ingenomen standpunt dat belanghebbende aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan.

Gelet op de voorgaande overwegingen, heeft het bestuursorgaan zich naar het oordeel van de Raad terecht op het standpunt kunnen stellen dat sprake was van bovenmatige onkostenvergoedingen, welke tot het premieloon dienen te worden gerekend. De door het bestuursorgaan gehanteerde schatting van f 100,-- (Ä 45,38) van de verstrekte vergoedingen welke als bovenmatig zijn aan te merken, acht de Raad, mede in verband met het achterwege blijven van enig aanwijzing voor het tegendeel van de zijde van belanghebbende, niet onredelijk.

In aanmerking nemend dat er geen op zichzelf staande grieven zijn aangevoerd tegen de boetenota's, volgt uit het vorenstaande dat het hoger beroep van belanghebbende niet slaagt. Het hoger beroep van het bestuursorgaan slaagt daarentegen wel.

De uitspraak van de rechtbank, voorzover door het bestuursorgaan aangevochten, dient mitsdien te worden vernietigd. Voor het overige kan deze uitspraak in stand blijven.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het bestreden besluit voor wat betreft de opgelegde correctie- en boetenota's inzake de besluitvorming van het bestuursorgaan inzake de vaste onkostenvergoeding is vernietigd, het bestuursorgaan is veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en bepaald is dat het bestuursorgaan het door belanghebbende gestorte griffierecht dient te vergoeden;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Huls.




Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de CoŲrdinatiewet Sociale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, vierde tot en met achtste lid, 4 tot en met 8 van die wet en de op die artikelen berustende bepalingen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x