Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AF8268
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-04-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hebben betrokkenen in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten tot het betrokken bedrijf gestaan? Heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er onvoldoende grond aanwezig is voor het aannemen van werkgeversgezag van het bedrijf over betrokkenen en dat veeleer sprake is van gelijkwaardigheid?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/1018 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 6 juni 2001 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 10 januari 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. J. van der Plas, belastingadviseur te Amsterdam, bij schrijven van 17 augustus 2001 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 maart 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C.J.M. Kluytmans, werkzaam bij het UWV, terwijl voor gedaagde is verschenen [naam directeur], directeur van gedaagde, [betrokkene III] en mr. Van der Plas, voornoemd, als gemachtigde.




II. MOTIVERING


Gedaagde adviseert ondernemingen op het gebied van telecommunicatie en informatica, neemt deel in en voert het beheer over andere ondernemingen. Bij een door appellant uitgevoerde looncontrole is gebleken dat gedaagde buiten de loonadministratie om betalingen heeft verricht aan personen waarvan gedaagde heeft aangenomen dat deze de betreffende werkzaamheden in het kader van hun eigen onderneming hebben verricht weshalve zij niet in de salarisadministratie zijn verantwoord. Naar aanleiding daarvan heeft appellant bij besluiten van 15 januari 1999 en 8 maart 1999 aan gedaagde medegedeeld dat de heren [betrokkene I], [betrokkene II] en [betrokkene III] (hierna: betrokkenen) verplicht verzekerd zijn voor de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en - indien van toepassing - de Ziekenfondswet ter zake van de werkzaamheden welke zij voor gedaagde hebben verricht. Ten aanzien van de arbeidsverhouding tussen [betrokkene I] en gedaagde is subsidiair nog gesteld artikel 5, aanhef en onder d, van voornoemde wetten in verbinding met artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb. 1986, 655.

Bij het bestreden, na bezwaar genomen, besluit van 30 juli 1999 heeft appellant gehandhaafd zijn standpunt dat betrokkenen in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten tot gedaagde hebben gestaan. Het subsidiaire standpunt ten aanzien van [betrokkene I] is daarbij niet langer gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval, mede in het licht bezien van de uitspraak van de Raad van 26 februari 1998, gepubliceerd in RSV 1998/122, aan de vernietiging van het bestreden besluit ten grondslag gelegd het oordeel dat er onvoldoende grond aanwezig is voor het aannemen van werkgeversgezag van gedaagde over betrokkenen en dat veeleer sprake is van gelijkwaardigheid.

Appellant, van mening zijnde dat wel sprake is van werkgeversgezag, kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen, zodat in hoger beroep de vraag dient te worden beantwoord of appellant terecht heeft aangenomen dat tussen gedaagde en betrokkenen een arbeidsverhouding heeft bestaan die verplichte verzekering op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten meebrengt. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten zijn de voorwaarden, de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en de verplichting tot loonbetaling, voor het aannemen van een verzekering als voornoemd niet in geding, en spitst het geschil in hoger beroep zich toe op het antwoord op de vraag of betrokkenen onder gezag van gedaagde werkzaam zijn geweest.

De Raad overweegt als volgt.

Met appellant is de Raad van oordeel dat de uitspraak van de Raad van 26 februari 1998, gepubliceerd in RSV 1998/122, ziet op een arbeidsverhouding tussen een franchisegever en een franchisenemer. Zoals de Raad in die uitspraak heeft overwogen dient een dergelijke rechtsverhouding anders gewaardeerd te worden dan de arbeidsverhouding op basis van een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst. Naar de Raad begrijpt, heeft gedaagde nimmer de stelling betrokken dat hier sprake is van een franchiseovereenkomst, maar dat het door de rechtbank gehanteerde criterium, dat ziet op een franchiseovereenkomst, hier onverkort van toepassing is. Echter, met de vasttelling dat hier geen rechtsverhouding tussen een franchisegever en franchisenemer aan de orde is, is mede gegeven dat de desbetreffende criteria hier niet aan de orde kunnen zijn.

Volgens vaste jurisprudentie is voor het aannemen van een gezagsverhouding niet vereist dat daadwerkelijk opdrachten en aanwijzingen gegeven worden, maar is de enkele mogelijkheid voor gedaagde tot het kunnen geven van aanwijzingen in voorkomende gevallen en de gehoudenheid van betrokkenen daaraan te voldoen, reeds voldoende. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat in dit geval sprake is van een gezagsverhouding. Uit zowel het samenwerkingsvoorstel alsmede uit de samenwerkingsovereenkomst blijkt onder meer dat de werkzaamheden, die eveneens verricht worden door - alsmede samen met - werknemers van gedaagde, een wezenlijk onderdeel vormen van de bedrijfsvoering van gedaagde en onder diens naam en verantwoordelijkheid en leveringsvoorwaarden worden verricht. Tevens dienen betrokkenen zich te conformeren aan de gedragsregels van gedaagde waarbij acquisitie, planning en rapportage geschieden in overleg met gedaagde en dat evaluatiegesprekken plaatsvinden voor afloop van een contractperiode. Voorts dient er een urenregistratie bijgehouden te worden en dienen kantoorbijeenkomsten en werkbesprekingen bijgewoond te worden. Met betrekking tot voormalig medewerker van gedaagde [betrokkene I] merkt de Raad op dat hij weliswaar zonder raamovereenkomst maar onbetwist onder dezelfde voorwaarden als de overige betrokkenen voor gedaagde werkzaam was.
Gelet op de hierboven weergegeven omstandigheden waaronder betrokkenen hun werkzaamheden voor gedaagde hebben verricht, concludeert de Raad tot de aanwezigheid van een gezagsverhouding en daarmee tot een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Dat gedaagde betrokkenen beschouwde als associate partners maakt dat niet anders.

Tot slot deelt de Raad niet de ter zitting herhaalde mening van gedaagde dat appellant besloten heeft op een moment dat er onvoldoende inzicht bestond in de feitelijke verhoudingen tussen partijen waardoor de beslissingen strijdig zouden zijn met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voornoemde opsomming van feiten is ontleend aan de samenwerkingsovereenkomst waar het looncontrolerapport naar verwijst.

Gelet op het hiervoor overwogene kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven en dient het inleidend beroep alsnog ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als in rubriek III van deze uitspraak is weergegeven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 april 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x