Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AF8762
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-05-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is betrokkene met ingang van de datum in geding tot de betrokken BV's in een gezagsrelatie werkzaam geweest, zodanig dat sprake is geweest van verzekeringsplicht voor de sociale werknemersverzekeringswetten meebrengende privaatrechtelijke dienstbetrekking, nu overigens te zijnen aanzien verplichte persoonlijke dienstverrichting en loonbetaling vaststaan?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/5999 ALGEM en 00/6000 ALGEM




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[B.V. X. te Y.] en [B.V. Z. te Y.,], gevestigd te [vestigingsplaats], appellanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellanten zijn bij gemachtigde J.J. Tabak, belastingadviseur bij de Fiscount Adviesgroep te Zwolle, op de bij aanvullende beroepschriften van 21 december 2000 aangegeven gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van door de rechtbank Zwolle onder dagtekening 26 september 2000 gewezen uitspraken, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde zijn bij de Raad op 18 januari en 2 maart 2001 gedateerde verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 maart 2003, waar voor appellanten is verschenen J.J. Tabak voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.A. Koenders, werkzaam bij Uwv Gak.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de feiten welke geen herhaling behoeven en waarvan ook de rechtbank bij de aangevallen uitspraak is uitgegaan.

In geding is de vraag of [betrokkene] overeenkomstig gedaagdes op bezwaar genomen besluiten van 24 september en 27 oktober 1998 per 1 mei 1996 tot appellanten in een gezagsrelatie werkzaam is geweest, zodanig dat sprake is geweest van verzekeringsplicht voor de sociale werknemersverzekeringswetten meebrengende privaatrechtelijke dienstbetrekking, nu overigens te zijnen aanzien verplichte persoonlijke dienstverrichting en loonbetaling vaststaan.
Wat de gezagsrelatie betreft moet de Raad in het voetspoor van de rechtbank vaststellen dat noch de directeursfunctie welke [betrokkene] bekleedde noch diens minderheidsaandelenbezit beneden de 20% hem binnen het beslissingskader van de algemene vergadering van aandeelhouders op grond van de vigerende statuten een positie verschaften welke hem in staat stelde zich tegen daar gegeven opdrachten en aanwijzingen en onwelgevallige meerderheidsbesluiten waaronder zelfs een eventueel ontslag met vrucht te verzetten. Een dit beeld volgens appellanten feitelijk mitigerende stemverklaring van de aandeelhouders en de inhoud en strekking van de betrokken managementovereenkomst doen volgens de Raad naar vaste jurisprudentie aan evenbedoelde zwakke statutair aan gezag onderhevige positie van [betrokkene] rechtens geen afbreuk. Voor zover van de zijde van appellanten ter zitting nog gewezen is op de unieke expertise en ervaring van [betrokkene], geldt deze laatste vaststelling in rechte van de Raad evenzeer, zeker met het oog op zich voordoende conflictsituaties. Tenslotte kan de uitgifte van een groot aantal preferente aandelen aan de maatschappij van [betrokkene] in de tweede helft van 2000, waarop appellanten juist voor en in de zitting gewezen hebben, geen verandering in het oordeel van de Raad brengen, uitgaande van de periode hier in geding, te weten per 1 mei 1996. De Raad is daardoor alles overziende niet van uitzonderlijke materiŽle indicaties gebleken welke [betrokkene] alsnog tot gezamenlijk zelfstandig ondernemer ten tijde in geding vermogen te bestempelen.

De aangevallen uitspraak van de rechtbank komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht deswege geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. Ch. de Vrey als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x