Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AF9888
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-06-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: In dit geding staat centraal de vraag of betrokkene 1 in de periode 1996-1999 voor het betrokken deurwaarderskantoor in een gezagsrelatie in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten werkzaam is geweest dan wel dat hij met betrokkene 2 als gelijkwaardig en gezamenlijk ondernemer bij het deurwaarderskantoor kan worden beschouwd.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/3981 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[naam deurwaarderskantoor], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. F.T. de Wit, belastingadviseur bij PricewaterhouseCoopers N.V. te Rotterdam hoger beroep ingesteld op de bij een aanvullend beroepschrift van 3 november 2000 aangevoerde gronden tegen een door de rechtbank Breda op 6 juni 2000 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een op 6 februari 2001 gedagtekend verweerschrift ingezonden.

Bij brief van 26 februari 2003 zijn namens appellante desgevraagd aan de Raad nadere aanvullende gegevens verstrekt, inzonderheid een desbetreffende intentieovereenkomst van november 1995.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 april 2003, waar namens appellant is verschenen [betrokkene 2], vergezeld door raadsman mr. De Wit voornoemd. Gedaagde is bij die gelegenheid verschenen bij gemachtigde mr. M.A. Koenders, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat hij in essentie van dezelfde feiten en omstandigheden uitgaat als waarvan de rechtbank in eerste aanleg is uitgegaan.

In dit geding staat centraal de vraag, of [betrokkene 1] in de periode 1996-1999, zoals door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak van 6 juni 2000 is aangenomen in navolging van gedaagdes bestreden besluit van 26 mei 1999, voor appellante in een gezagsrelatie in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten is werkzaam geweest dan wel dat hij met [betrokkene 2] als gelijkwaardig en gezamenlijk ondernemer bij appellante kan worden beschouwd.

Te dien aanzien deelt de Raad op grond van de stukken en het verhandelde te zijner zitting de zienswijze van de rechtbank dat [betrokkene 1] in de periode in geding in een gezagsrelatie bij appellante werkzaam is geweest en dat er destijds geen sprake is geweest van voldoende duidelijke en uitgekristalliseerde materiŽle indicaties voor het gezamenlijk drijven van een onderneming. De Raad tekent hierbij in de lijn van gevestigde jurisprudentie aan dat er destijds voor [betrokkene 1] die voorheen een werknemer in opleiding was, hoe deskundig en ervaren uiteindelijk ook geworden, zowel nog een gebrek aan financiŽle armslag bestond als een beduidend beperkter aandelenbezit, waardoor hij het bij enige conflictsituatie op grond van de vigerende statutaire bepalingen in de algemene vergadering van aandeelhouders zonder meer zou hebben moeten afleggen, alsmede zich zelfs tegen een ontslag buiten zijn wil niet afdoende zou hebben kunnen teweerstellen.
Anders dan appellante heeft doen betogen, vermogen volgens de Raad noch de specifieke elkaar noodzakelijk aanvullende taakstellingen van beide heren, noch de gesloten stemovereenkomst noch de intentieovereenkomst, hoe betekenisvol voor een verdere toekomst ook, evenbedoelde situatie destijds rechtens in zulk een doorslaggevende mate te beÔnvloeden dat een gezagsrelatie hierdoor reeds geconverteerd zou kunnen worden in gezamenlijk ondernemerschap, te minder nu in een notoir ongelijk aandelenbezit wel zeer langdurig is berust met alle consequenties van dien voor de alsdan voor [betrokkene 1] ongunstige gezagsbepalende stemverhouding in de algemene vergadering van aandeelhouders. Overigens heeft de Raad geen steekhoudende argumenten vanwege appellante aangetroffen welke hem alsnog tot de overtuiging zouden hebben kunnen brengen dat er te dezen sprake zou zijn geweest van zulk een uitzonderlijk geval dat gezag metterdaad niet meer aan de orde is geweest. De Raad tekent hierbij aan dat aan gelijkwaardig aandelenbezit tussen betrokkenen eerst na de periode in geding anno 2000 is gerealiseerd.

Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van de Raad dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. S.K. Welbedacht als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2003.

(get) B.J. van der Net.

(get) A.H. Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x