Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AH9097
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-06-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: In geding is de vraag of een ter zake van premieplicht jegens een werkgever genomen besluit rechtsgevolgen kan hebben voor de werknemer. Premieplicht en het al dan niet verzekerd zijn worden volledig onafhankelijk van elkaar beoordeeld, in die zin dat een werknemer ten aanzien van wie geen premie is vastgesteld of premieplicht is aangenomen, toch verzekerd kan zijn.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 00/5716 ALGEM, 00/5718 ALGEM, 00/5726 ALGEM, 00/5727 ALGEM, 00/5728 ALGEM, 00/5876 ALGEM, 00/5891 ALGEM en 00/5894 ALGEM.




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[betrokkene I], wonende te [woonplaats],
[betrokkene II], wonende te [woonplaats], betrokkenen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het uitvoeringsorgaan.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het uitvoeringsorgaan tevens verstaan het Lisv.

Bij besluiten van 25 maart 1998 heeft het uitvoeringsorgaan ongegrond verklaard de bezwaren van betrokkenen tegen de besluiten van 5 mei 1997 waarbij aan [naam B.V.] is medegedeeld dat zij met ingang van 1 november 1996 premie verschuldigd is ingevolge de socialezekerheidswetten over de door haar aan betrokkenen verrichte betalingen, aangezien betrokkenen hun werkzaamheden hebben verricht in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, dan wel in een hiermee gelijk te stellen arbeidsverhouding.

Bij besluiten van 23 november 1998 heeft het uitvoeringsorgaan ongegrond verklaard de bezwaren van betrokkenen tegen de besluiten van 27 april 1998 waarbij aan [naam B.V. II] is medegedeeld dat zij met ingang van 1 mei 1998 premie verschuldigd is ingevolge de sociale zekerheidswetten ter zake van de door betrokkenen verrichte werkzaamheden.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 3 oktober 2000 de namens betrokkenen tegen deze besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd, betrokkenen niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaren tegen de besluiten van 5 mei 1997 en 27 april 1998, het bestuursorgaan veroordeeld in de proceskosten van betrokkenen en bepaald dat het bestuursorgaan de griffierechten dient te vergoeden.

Het bestuursorgaan is op bij aanvullend beroepschrift 30 januari 2001 aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Namens betrokkenen is mr. C. Dekker, belastingadviseur te Amersfoort, op bij aanvullend beroepschrift (tevens verweerschrift) van 26 februari 2001 (met bijlage) aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam.

Het bestuursorgaan heeft bij schrijven van 8 mei 2001 van verweer gediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 mei 2003, waar het bestuursorgaan met voorafgaand schriftelijk bericht niet is verschenen, terwijl betrokkenen zich hebben doen vertegenwoordigen door mr. Dekker, voornoemd.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de feiten en omstandigheden zoals in rubriek 3.1 van de aangevallen uitspraak zijn weergegeven.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkenen geen beroep kunnen instellen tegen een premiebeslissing die geadresseerd is aan de pretense werkgever. Evenmin heeft de rechtbank voldoende aanknopingspunten aanwezig geacht om betrokkenen als derde-belanghebbende aan te merken. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het bestuursorgaan betrokkenen ten onrechte heeft ontvangen in hun bezwaar.

In hoger beroep hebben partijen onder vrijwel gelijkluidende hier kort weergegeven gronden aangevoerd dat betrokkenen als belanghebbenden bij de aan [naam B.V. I] respectievelijk aan [naam B.V. II] gerichte primaire besluiten van 5 mei 1997 respectievelijk 27 april 1998 moeten worden aangemerkt.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is van oordeel dat het bij de beantwoording van de vraag of een ter zake van premieplicht jegens een werkgever genomen besluit rechtsgevolgen kan hebben jegens de werknemer op wiens arbeid de premiebeslissing betrekking heeft, relevant is het feit dat het systeem van de sociale verzekeringswetten meebrengt dat premieplicht en het al dan niet verzekerd zijn volledig onafhankelijk van elkaar beoordeeld worden, in die zin dat een werknemer ten aanzien van wie geen premie is vastgesteld of premieplicht is aangenomen, toch verzekerd ingevolge de werknemersverzekeringen kan zijn. Dit ondanks het feit dat premieplicht en het verzekerd zijn op basis van dezelfde criteria beoordeeld wordt. Tegen de premiebeslissing en de beslissing dat iemand al of niet verzekerd is kunnen respectievelijk de (pretense) werkgever en de (pretense) werknemer ieder afzonderlijk rechtsmiddelen aanwenden. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 11 september 1991, gepubliceerd in RSV 1992/55, deelt de Raad de opvatting van partijen dat het belang van betrokkenen bij dit besluit rechtstreeks is betrokken en dat betrokkenen dan ook belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid van de Awb.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de hoger beroepen slagen en dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad acht echter termen aanwezig om het geding met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef, en onder b, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank, omdat de rechtbank zich over de inhoudelijke aspecten van het onderhavige geval nog dient uit te spreken. Daarbij merkt de Raad op dat hij het mede gelet op de afwezigheid van het bestuursorgaan ter zitting om reden van een goede procesvoering niet aangewezen heeft geacht gehoor te geven aan het ter zitting namens betrokkenen gedane verzoek om tevens materieel te beslissen.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad als volgt. Aangezien de rechtbank zich omtrent de inhoudelijke aspecten van de zaak nog dient uit te spreken, ziet de Raad aanleiding het bestuursorgaan op grond van artikel 8:75 van de Awb voorwaardelijk - voor het geval de bestreden besluiten niet in stand blijven - te veroordelen in de proceskosten van berokkenen. Deze kosten worden begroot op 966,56 (f 2.130,--) oor verleende rechtsbijstand in beroep en op 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

De Raad stelt tenslotte vast dat het door betrokkenen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaken   terug naar de rechtbank Amsterdam;
Veroordeelt het bestuursorgaan voorwaardelijk in de proceskosten van betrokkenen tot een bedrag van in totaal 1610,56;
Verstaat dat het bestuursorgaan aan betrokkenen het gestorte recht van 176,98 (f 390,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x