Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AN7534
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-10-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht en op goede gronden verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten ten aanzien van de betrokken taxichauffeurs aangenomen?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/4930 ALGEM, 01/4268 ALGEM, 01/6419 ALGEM, 01/6422 ALGEM, 02/366 ALGEM, 02/698 ALGEM en  02/578 ALGEM




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant 1], gevestigd te [vestigingsplaats1],
[appellant 2], gevestigd te [vestigingsplaats 2],
[appellant 3], wonende te [woonplaats 1],
[appellant 4], gevestigd te [vestigingsplaats 1],
[appellant 5], wonende te [woonplaats 2],
[appellant 6], gevestigd te [vestigingsplaats 3], appellanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 30 januari 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van [appellant 1] tegen het besluit van 17 oktober 1997, waarbij gedaagde aan haar heeft medegedeeld dat taxichauffeurs [R.], [T.], [P.] en [K.] verplicht verzekerd zijn ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten en dat over de aan deze personen verrichte betalingen premies dienen te worden afgedragen. Daarbij is de ingangsdatum van de verzekeringsplicht voor [R.] en [T.] nader vastgesteld op 25 maart 1997 en voor [K.] op 9 oktober 1996.

Bij besluit van 10 december 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van [appellant 2] tegen de besluiten van 23 februari 1998 en 4 maart 1998, waarbij over de jaren 1996 en 1997 premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringen zijn vastgesteld over de aan de voor haar werkzame taxichauffeurs verrichte betalingen.
Daarnaast heeft gedaagde bij dit besluit ongegrond verklaard de bezwaren van [appellant 2] tegen de besluiten van 9 maart 1998, waarbij over genoemde jaren administratieve boetes werden opgelegd en een administratief verzuim werd geregistreerd.
Voorts heeft gedaagde bij dit besluit ongegrond verklaard de bezwaren van [appellant 2] tegen het besluit van 26 maart 1998, waarbij gedaagde heeft geweigerd om haar uitstel van betaling van voornoemde correctie- en boetenota's te verlenen.

Bij besluit van 9 november 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van [appellant 3] tegen de besluiten van 12 januari 1998 en 21 augustus 1998, waarbij aan hem is medegedeeld dat de taxichauffeurs [T.G.] en [A.N.A.] verplicht verzekerd zijn ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten en dat over de aan deze personen verrichte betalingen premies dienen te worden afgedragen.
Daarnaast heeft gedaagde niet-ontvankelijk verklaard de bezwaren van [appellant 3] tegen het besluit 20 mei 1998, waarbij gedaagde hem in kennis heeft gesteld van een ambtshalve premievaststelling en boeteberekening over het jaar 1997.
Voorts heeft gedaagde bij dit besluit ongegrond verklaard de bezwaren van [appellant 3] tegen het besluit van 1 juli 1998, waarbij gedaagde heeft geweigerd om hem uitstel van betaling van voornoemde correctie- en boetenota's te verlenen.
Bij besluit van 28 juni 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van [appellant 3] tegen het besluit van 9 november 1998, waarbij gedaagde het verzoek om betaling van de kosten rechtsbijstand en administratieve bijstand in de bezwaarfase heeft afgewezen.

Bij besluit van 9 november 1998 heeft gedaagde gedeeltelijk gegrond verklaard de bezwaren van Maco Taxi Cooperatief WA tegen het besluit van 2 februari 1998, waarbij aan haar is medegedeeld dat de taxichauffeurs [F.], [S.] en [J.] verplicht verzekerd zijn ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten en dat over de aan deze personen verrichte betalingen premies dienen te worden afgedragen. De ingangsdatum van de premieplicht ten aanzien van [F.] is daarbij nader vastgesteld op 15 juli 1997. De correctie- en boetenota's over de jaren 1995, 1996 en 1997 heeft gedaagde hierop aangepast.
Voorts heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van [appellant 4] tegen de besluiten van 1 mei 1998 en 10 juni 1998, waarbij gedaagde heeft geweigerd om haar uitstel van betaling te verlenen.

Bij besluit van 6 november 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van [appellant 5] tegen het besluit van 12 januari 1998, waarbij aan hem is medegedeeld dat taxichauffeur [W.] verplicht verzekerd is ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten en dat over de aan hem verrichte betalingen premies dienen te worden afgedragen.
De bezwaren van [appellant 5] tegen over de jaren 1995 en 1996 opgelegde correctie- en boetenota's heeft gedaagde bij dit besluit ook ongegrond verklaard.
Voorts heeft gedaagde bij dit besluit ongegrond verklaard de bezwaren van [appellant 5] tegen het besluit van 16 januari 1998, waarbij aan hem de hoogte van de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor het jaar 1998 heeft medegedeeld.
Tevens heeft gedaagde bij dit besluit ongegrond verklaard de bezwaren van [appellant 5], tegen de besluiten van 23 februari 1998, 23 april 1998 en 12 juni 1998, waarbij gedaagde heeft geweigerd om hem uitstel van betaling te verlenen.

Bij besluit van 30 maart 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van [appellant 5] tegen de besluiten van 15 december 1999 en 17 december 1999, waarbij aan [appellant 5] premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringen over de jaren 1997 en 1998 zijn opgelegd over de aan taxichauffeur [W.] verrichte betalingen.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 8 augustus 2000 het namens [appellant 1] tegen het besluit van 30 januari 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 10 augustus 2000 (verzonden op 27 juni 2001) het namens [appellant 2] tegen het besluit van 10 december 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 7 november 2001 de namens [appellant 3] tegen de besluiten van 9 november 1998 en 28 juni 1999 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 4 december 2001 het namens [appellant 4] tegen het besluit van 9 november 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 11 december 2001 het namens [appellant 5] tegen het besluit van 6 november 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 11 december 2001 het namens [appellant 5] tegen het besluit van 30 maart 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens [appellant 1] is mr. E. Bos RA, werkzaam bij BV Praktijkvennootschap mr. E. Bos te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift van 30 oktober 2000 met bijlagen aangevoerde gronden van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2000 bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Namens [appellant 2] is mr. E. Bos RA, voornoemd, op bij aanvullend beroepschrift van 24 april 2002 met bijlagen aangevoerde gronden van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2000 bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Namens [appellant 3] is mr. E. Bos RA, voornoemd, op bij aanvullend beroepschrift van 14 december 2001 met bijlagen aangevoerde gronden van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 november 2001 bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Namens [appellant 4] is mr. E. Bos RA, voornoemd, op bij aanvullend beroepschrift van 6 maart 2002 aangevoerde gronden van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 december 2001 bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Namens [appellant 5] is mr. E. Bos RA, voornoemd, op bij aanvullend beroepschrift van 12 maart 2002 met bijlagen aangevoerde gronden van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2001 bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Namens [appellant 5] is mr. E. Bos RA, voornoemd, op bij aanvullend beroepschrift van 12 maart 2002 met bijlagen aangevoerde gronden van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2001 bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 23 januari 2001, 6 maart 2002, 9 april 2002, 18 april 2002, 8 mei 2002 en 20 juni 2002 van verweer gediend.

Namens appellanten heeft mr. E. Bos RA, voornoemd, bij schrijven van 27 augustus 2003 nadere stukken overgelegd.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 september 2003, waar is verschenen [appellant 3] en voor [appellant 2] (oud)directeur drs. [naam oud directeur], bijgestaan door mr. E. Bos, voornoemd, en M.E. Reijerse, kantoorgenoot van mr. E. Bos. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr. drs. R.H.L. Niehof en E.I. van Dompselaar, beiden werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellanten exploiteerden (mede) in de jaren 1995 tot en met 1998 een taxionderneming in [vestigingsplaats 2]. Het exploiteren van een taxionderneming was destijds slechts toegestaan, indien men over een daartoe strekkende taxivergunning beschikte. In de jaren hier in geding werden de taxivergunningen door het Openbaar Lichaam taxivervoer [vestigingsplaats 2], Zaanstreek, Amstelland en Meerlanden (hierna: OLT AZAM) verstrekt. OLT AZAM verstrekte vrijwel uitsluitend een taxivergunning, indien men een samenwerkingovereenkomst had met de Taxicentrale [vestigingsplaats 2] (hierna: TCA-aansluiting). Met de TCA-aansluiting kon de exploitant de voor de vergunning noodzakelijke vervoersbehoefte aantonen. In de jaren hier in geding werden door de TCA nagenoeg geen nieuwe aansluitingen verstrekt.
In verband met het teruglopen van de kwaliteit van de dienstverlening in de taxibranche werd reeds begin jaren 80 de ontwikkeling in gang gezet om meer betrokkenheid bij de loondienstchauffeurs te creren. Daartoe werden verschillende ondernemingsvormen, zoals de vennootschap onder firma, met de loondienstchauffeurs aangegaan.
Naar aanleiding van de zorg over de wijze waarop de [vestigingsplaats 2] taxiondernemingen hun bedrijf exploiteerden is in 1994 een grootschalig onderzoek (mede) door gedaagde ingesteld naar de taxibranche. Op basis van de resultaten van dit onderzoek en de resultaten van de onderzoeken bij de individuele taxionderneming heeft gedaagde geconcludeerd dat de taxichauffeurs ondanks de firmaregeling in privaatrechtelijke dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3 van de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) tot de oorspronkelijke exploitanten zijn blijven werken.

Gedaagde heeft zich - met uitzondering van het besluit van 28 juni 1999 - bij de bestreden besluiten op het standpunt gesteld dat de taxichauffeurs ondanks dat zij met de exploitant van de taxionderneming een vennootschap onder firma zijn aangegaan in een privaatrechtelijke dienstbetrekking zijn blijven werken. Daartoe heeft gedaagde opgemerkt dat de taxichauffeurs afhankelijk zijn gebleven van de TCA-aansluiting en taxivergunning van de oorspronkelijke exploitant, die slechts het genotsrecht van de TCA-aansluiting en de taxivergunning in de vennootschap onder firma inbracht. Daarnaast heeft gedaagde er op gewezen dat alleen de oorspronkelijke exploitant na ontbinding van de vennootschap onder firma de mogelijkheid had om de taxionderneming voort te zetten. De vennootschap onder firma kon volgens gedaagde ook steeds tegen de wil van de betrokken taxichauffeur worden beindigd en zijn inkomensvormende arbeid kon derhalve tegen zijn wil worden stopgezet. Daardoor is er volgens gedaagde sprake van een zodanig afhankelijkheid van de oorspronkelijke exploitant dat van een rele gezagsverhouding moet worden gesproken. Juist in een conflictsituatie zal er volgens gedaagde voldoende basis zijn voor de uitoefening van gezag over de betrokken taxichauffeur.
Subsidiair heeft gedaagde geconcludeerd dat de (economische) afhankelijkheid van de TCA-aansluiting en de taxivergunning van de oorspronkelijke exploitant aan de zelfstandige bedrijfsuitoefening van de taxichauffeurs in de wegstaat en dat de taxichauffeurs de vervoerswerkzaamheden in fictieve dienstbetrekking als bedoeld in artikel 5 van de ZW, WW en WAO juncto artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986, Stb.1986/655, tot de oorspronkelijke exploitant hebben verricht.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde de litigieuze arbeidsverhouding terecht heeft aangemerkt als een privaatrechtelijke dienstbetrekking en gedaagde derhalve terecht op grond van artikel 3 van de ZW, WW en WAO verzekeringsplicht ten aanzien van de betrokken taxichauffeurs heeft aangenomen. Volgens de rechtbank is sprake van een gezagsverhouding, omdat slechts de oorspronkelijke exploitanten na ontbinding van de vennootschap onder firma gerechtigd zijn om de onderneming voort te zetten.
Op basis van de verklaring van [naam getuige] van 18 mei 2000 komt de rechtbank tot het oordeel dat de chauffeurs weliswaar mogelijk in aanmerking zouden kunnen komen voor een taxivergunning, maar dat zij nog geen TCA-aansluiting zouden verkrijgen. Omdat na ontbinding van de vennootschapsovereenkomst de TCA-aansluiting bij de oorspronkelijk gerechtigde blijft en de chauffeurs geen nieuwe aansluiting kunnen krijgen, zijn zij volgens de rechtbank in dat opzicht (economisch) afhankelijk van het voortbestaan van het verband waarin zij werken, te weten de vennootschap die de beschikking heeft over de vergunning en de TCA-aansluiting. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat daarmee sprake is van een rele gezagsverhouding. Ook de elementen persoonlijke dienstverrichting en loonbetaling zijn volgens de rechtbank aanwezig.

Appellanten kunnen zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank en hebben in hoger beroep nogmaals - samengevat - aangevoerd dat slechts een gezagrelatie aanwezig kan zijn, indien de mogelijkheid bestaat om aanwijzingen te geven en toezicht te houden. De door de rechtbank genoemde afhankelijkheid is naar het oordeel van appellanten niet hetzelfde. Voorts is door appellanten bestreden dat de firmaregeling rond de TCA-aansluiting tot afhankelijkheid leidt, omdat volgens hen het hebben van een TCA-aansluiting niet noodzakelijk is voor het verkrijgen van een taxivergunning van de OLT AZAM. Naar het oordeel van appellanten kon een ieder, die vakbekwaam was en kon aantonen dat hij voldoende omzet voor een rendabele onderneming zou kunnen behalen, in aanmerking komen voor een taxivergunning. Appellanten hebben uiteengezet dat de taxichauffeurs in het kader van hun eigen onderneming werkten en daartoe de TCA-aansluiting van de oorspronkelijke exploitant huurden. Hiervoor betaalden zij een vergoeding. Appellanten zijn van oordeel dat de gestelde economische afhankelijkheid onvoldoende is om een gezagsrelatie aan te nemen. Gezien de financieel economische positie van de taxichauffeurs is volgens appellanten geen sprake van een dienstbetrekking.
Van de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting is volgens appellanten geen sprake, omdat zij (als vennoot van de vennootschap onder firma) mede voor hun eigen vervanging konden zorgen. Aangezien appellanten een winstaandeel hebben is naar het oordeel van appellanten ook geen sprake van loonbetaling.



Verzekeringsplicht

Met betrekking tot het voorgaande overweegt de Raad in de eerste plaats dat de omstandigheid dat sprake is van vennootschapsovereenkomst niet in de weg staat aan het aanwezig achten van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, indien de feiten en omstandigheden van het desbetreffende geval duidelijk wijzen op het bestaan van een dergelijke dienstbetrekking.

Naar het oordeel van de Raad dient de arbeidsverhouding tussen appellanten en de betrokken taxichauffeurs te worden gekwalificeerd als een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Met betrekking tot de vraag of tussen appellanten en de taxichauffeurs sprake was van een gezagsrelatie wijst de Raad er op dat ingevolge zijn vaste jurisprudentie sprake is van een gezagsverhouding, indien de vermeende werkgever in voorkomende gevallen de mogelijkheid heeft om aanwijzingen en instructies te geven. Ter beantwoording van de vraag of appellanten deze mogelijkheid ten aanzien van de taxichauffeurs hadden acht de Raad van belang dat het verboden is om zonder een daartoe strekkende vergunning taxivervoer te verrichten. Voor de taxichauffeurs, die de werkzaamheden voorheen in loondienst verrichtten, was het derhalve noodzakelijk om een taxivergunning te verkrijgen. Blijkens de verklaring van [naam getuige] van 18 mei 2000 - tot december 1995 werkzaam bij OLT AZAM en daarna bij de TCA- had een taxivergunning voor Amsterdam in de in geding zijnde jaren slechts waarde indien men ook over een TCA-aansluiting beschikte. Anders dan appellanten hebben betoogd, blijkt uit de verklaring van [naam getuige 2] van 25 september 2001, bestuurslid van de Stichting administratiekantoor van de Taxicentrale [vestigingsplaats 2], dat destijds (nagenoeg) geen nieuwe TCA-aansluitingen werden verstrekt. Met andere woorden, in de periode hier in geding was het voor nieuwkomers op de markt slechts mogelijk om door overname van een reeds bestaande TCA-aansluiting dan wel door samenwerking met een taxiondernemer met een TCA-aansluiting een rendabele taxionderneming te gaan exploiteren.
In geen van de onderhavige gevallen is sprake van overname van (een deel van) de TCA-aansluiting of taxivergunning. Daarbij merkt de Raad op dat [naam voorzitter], voorzitter van Maco Tax Coorperatief WA weliswaar een koopovereenkomst met [F.] heeft afgesloten, maar dat het beoogde deel van de taxivergunning vanwege het ontbreken van voldoende financiele middelen bij [F.] nimmer in zijn bezit is gekomen. Weliswaar hebben appellanten in het kader van het samenwerkings- verband de taxivergunning op naam van dit samenwerkingsverband laten zetten, maar van overdracht van (een deel van) de taxivergunning aan de betrokken taxichauffeurs is geen sprake geweest. Hetzelfde geldt voor de TCA-aansluiting. Appellanten hebben (slechts) het genotsrecht van de taxivergunning en de TCA-aansluiting in de vennootschap gebracht. Appellanten hebben derhalve de beschikking over de taxivergunning en de TCA-aansluituing behouden. Voorts kon slechts de oorspronkelijke exploitant na ontbinding van de vennootschapsovereenkomst, welke ontbinding middels opzegging kon plaatsvinden, de taxionderneming voortzetten. Aangezien appellanten, zoals reeds is aangegeven, de taxivergunning en de TCA-aansluiting hebben behouden, hadden zij er dus ook (financieel) belang bij dat de taxichauffeurs niet in strijd handelen met de eisen van de taxivergunning, omdat de vergunning en daarmee de TCA-aansluiting in gevaar komt. Ook in dat opzicht zullen appellanten de mogelijkheid hebben gehad om aanwijzingen en instructies te geven.
Hoewel de Raad zich bewust is van de ontwikkeling die de taxibranche in Amsterdam thans heeft doorgemaakt, is de Raad in het licht van de jurisprudentie van oordeel dat in verband met de volstrekte (economische) afhankelijkheid van de TCA-aansluiting van appellanten ten tijde in geding sprake is van een gezagsrelatie tussen appellanten en de taxichauffeurs.

Verder is de Raad van oordeel dat in de onderhavige gevallen ook wordt voldaan aan de eis van de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting. Blijkens de reeds aangehaalde verklaring van [naam getuige 2] is de vervanging, voor zover de taxichauffeurs de werkzaamheden niet persoonlijk hebben verricht, immers niet door de desbetreffende taxichauffeur zelf geregeld. Dat de taxichauffeurs zich niet door een willekeurige derde konden laten vervangen, blijkt naar het oordeel van de Raad ook uit de omstandigheid dat iedere vervanger over een geldige chauffeursvergunning diende te beschikken. Voorts was de vennootschap onder firma krachtens het bepaalde in artikel 8 van het Reglement afgifte en het gebruik van vervangende roosters (hierna: het Reglement) ook verantwoordelijk voor de taxichauffeur, die ingevolge het bepaalde in artikel 9 juncto artikel 2, sub i, van het Reglement slechts op basis van een door de OLT AZAM vastgesteld vervangend rooster werkzaamheden mocht verrichten.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 11 maart 1996, gepubliceerd in RSV 1996/200, overweegt de Raad voorts dat het belonen van de taxichauffeurs onder een andere benaming dan loon niet betekent dat van het element loonbetaling geen sprake is. Doorslaggevend is dat de taxichauffeurs een rele tegenprestatie hebben ontvangen voor de door hen persoonlijk verrichte werkzaamheden.

Op grond van het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht en op goede gronden verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten ten aanzien van de betrokken taxichauffeurs heeft aangenomen.

Met betrekking tot de grief van [appellant 1] dat ten aanzien van oproepchauffeur [P.] ten onrechte verzekeringsplicht is aangenomen, is de Raad met de rechtbank en gedaagde van oordeel dat dit geen onderwerp van geschil kan zijn. In bezwaar noch beroep zijn immers grieven met betrekking tot de verzekeringsplicht van oproepchauffeur [P.] aangevoerd. De Raad is overigens niet gebleken dat van de zijde van gedaagde zou zijn medegedeeld dat ten aanzien van oproepchauffeur [P.] niet langer verzekeringsplicht zou worden aangenomen.
Aangezien met [K.] een arbeidsovereenkomst is aangegaan, ziet de Raad geen reden om te twijfelen aan het bestaan van verzekeringsplicht ten aanzien van deze oproepchauffeur.

De Raad komt tot hetzelfde oordeel ten aanzien van de verzekeringsplicht van oproepchauffeur [S.]. [naam voorzitter], voorzitter van [Appellant 4], is immers een arbeidsovereenkomst met deze oproepchauffeur aangegaan. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de arbeidsverhouding met oproepchauffeur [J.] anders was geregeld.



Premieplicht

Allereerst is de Raad, anders dan de rechtbank van oordeel dat gedaagde [appellant 3] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen de ambtshalve premievaststelling over het jaar 1997 en de boeteoplegging over dat jaar.
R. van der Heuvel heeft immers op 22 juni 1998, en derhalve tijdig, bezwaar gemaakt tegen de premienota van 13 mei 1998 en boetenota van 25 mei 1998 over het jaar 1997.
In zoverre komen derhalve de aangevallen uitspraak van de rechtbank van 7 november 2001 en het bestreden besluit van 9 november 1998 voor vernietiging in aanmerking. Aangezien [Appellant 3] - buiten de grief dat ten onrechte verzekeringsplicht ten aanzien van de taxichauffeurs [T.G.] en [A.N.A.] is aangenomen - geen inhoudelijke grieven tegen de premienota heeft aangevoerd, dient het bezwaar op dit punt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alsnog ongegrond te worden verklaard.

[Appellant 1] en [appellant 5] hebben nog aangevoerd dat de vennootschap niet de werkgever kan zijn, omdat de vennootschap dan gezag zou moeten uitoefenen over een persoon die zelf mede dat gezag uitoefent.

De Raad merkt op dat gedaagde in hoger beroep heeft aangegeven dat het bestreden besluit van 30 maart 2000 abusievelijk aan [appellant 5] is gericht, omdat naar zijn oordeel [appellant 5] als werkgever van taxichauffeur [W.] dient te worden aangemerkt. Omdat [appellant 5] door de onjuiste tenaamstelling van het bestreden besluit niet in zijn processuele belangen is geschaad, is gedaagde van oordeel dat zulks niet tot vernietiging van het bestreden besluit hoeft te leiden. De Raad onderschrijft dit standpunt van gedaagde.

Voorts heeft gedaagde zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de oorspronkelijke exploitant van de taxivergunning als werkgever van de betrokken taxichauffeurs dient te worden aangemerkt. Dit stuitte echter in het geval dat sprake was van twee of meer oorspronkelijke exploitanten op uitvoeringstechnische problemen. Die gevallen konden niet als n werkgever bij gedaagde worden aangesloten. Om die reden heeft gedaagde ervoor gekozen om de besluiten ten aanzien van deze werkgevers aan (de vennoten van) de vennootschap onder firma te richten. Naar het oordeel van gedaagde is zulks ook logisch, omdat de oorspronkelijke exploitanten ervoor hebben gekozen de taxivergunning in firmaverband te exploiteren en bijvoorbeeld niet samen een maatschap hebben opgericht.

Los van het antwoord op de vraag of uitvoeringstechnische redenen de gekozen handelwijze van gedaagde rechtvaardigen, is de Raad van oordeel dat het, gezien de inhoud van het bestreden besluit van 30 januari 1998, duidelijk moet zijn geweest welke vennoten van de [appellant 1] als werkgever van de taxichauffeurs dienen te worden aangemerkt. De namen van de vennoten [naam vennoot 1], [naam vennoot 2] en [naam vennoot 3] zijn in het besluit immers expliciet vermeld. Blijkens hetgeen door [appellant 1] in de bezwaar- en beroepsprocedure naar voren is gebracht, is het ook steeds duidelijk geweest tussen welke vennoten onderscheid werd gemaakt. Daarbij komt nog dat het bestreden besluit van 30 januari 1998 aan de vennoten van [appellant 1] is gericht.



Boetenota's

Op de eerste plaats verwijst de Raad naar aanleiding van de grief van [appellant 3] dat hij ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar tegen de boetenota over het jaar 1997 naar hetgeen hij hieromtrent onder het kopje "Premieplicht" reeds heeft overwogen.

De Raad onderschrijft voorts niet de stelling van [appellant 5], [appellant 3] en [appellant 2] dat hier sprake is van een pleitbaar standpunt, in die zin dat zij, gelet op de door de Belastingdienst en Rijksverkeersinspectie overgenomen zelfstandigheid van de taxichauffeurs, konden menen geen premies verschuldigd te zijn. Juist mede in verband met het oordeel van de Raad in de uitspraak van 11 maart 1996, gepubliceerd in RSV 1996/200, hadden zij er op bedacht moeten zijn dat gedaagde verzekeringsplicht ten aanzien van de taxichauffeurs zou aannemen. Zo is in de onderhavige gevallen - bijvoorbeeld - om appellanten moverende redenen geen sprake geweest van overdracht aan de taxichauffeurs van (een deel van) de taxivergunning of de TCA-aansluiting.

Uit het voorgaande volgt tevens dat het bezwaar van [Appellant 3] tegen de boetenota over het jaar 1997 alsnog ongegrond dient te worden verklaard.



Vertrouwensbeginsel

Het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel treft naar het oordeel van de Raad geen doel. De Raad stelt voorop dat naar zijn vaste jurisprudentie de schending van het vertrouwensbeginsel niet aan de dwingendrechtelijke verzekeringsplicht in de weg kan staan. Wel kan schending van het vertrouwensbeginsel gedaagde aanleiding geven om de premievaststelling over een periode in het verleden achterwege te laten. Blijkens vaste jurisprudentie moet aan belanghebbende een ongeclausuleerde schriftelijke toezegging zijn gedaan wil een beroep op het vertrouwensbeginsel kunnen worden gehonoreerd. Daarvan is de Raad in de onderhavige gevallen niet gebleken.

Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat gedaagde bij besluit van 2 november 1995 terecht met ingang van 1 januari 1996 premieplicht voor [appellant 2] heeft aangenomen. De Raad verwijst daartoe naar de overwegingen van de rechtbank, welke overwegingen hij tot de zijne maakt. De Raad ziet geen aanleiding voor een langere overgangsperiode dan de door gedaagde in acht genomen twee maanden.

Wat de ingangsdatum van de premieplicht voor [appellant 4] over de betalingen aan taxichauffeur [F.] betreft, is de Raad ten slotte van oordeel dat gedaagde terecht de datum van het onderzoek heeft aangehouden. Blijkens het looncontrolerapport van 21 juli 1997 is op 15 juli 1997 de verzekeringsplicht ten aanzien van taxichauffeur [F.] uitvoerig met [appellant 4] besproken.



Uitstel van betaling

Het door [appellant 5], [appellant 3], [naam B.V.]. en [appellant 4] ingenomen standpunt dat bestreden correctie- en boetenota's slechts kunnen worden ingevorderd als zij onherroepelijk vaststaan, kan, gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 9 oktober 1996, gepubliceerd in BNB 1997/6, niet worden gevolgd.

Ook overigens heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat gedaagde ten onrechte heeft geweigerd uitstel van betaling te verlenen.



Kosten bezwaar

Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde bij besluit van 28 juni 1999 terecht gehandhaafd de afwijzing van het verzoek van [appellant 3] om vergoeding van kosten, die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken. Naar het oordeel van de Raad dient het verzoek van [appellant 1] tot veroordeling van gedaagde in deze kosten ook te worden afgewezen. Zoals uit het vorenoverwogene volgt, is er immers geen reden te oordelen dat de besluitvorming van gedaagde dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd moet worden dat gedaagde tegen beter weten in heeft beslist. Overigens bepaalt de overgangsbepaling bij de Wet kosten bestuurlijke voorprocedure, welke wet op 12 maart 2002 in werking is getreden, dat artikel 8:75 van de Awb, zoals die bepaling voor genoemde datum luidde van toepassing blijft, indien het besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt voor inwerkingtreding van de wet is genomen.

Vorenstaande overwegingen leiden er toe dat de aangevallen uitspraken van de rechtbank van 8 augustus 2000, 10 augustus 2000, 4 december 2001 en 11 december 2001 voor bevestiging in aanmerking komen.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank van 7 november 2001 komt, voor zover daarbij is geoordeeld dat gedaagde [appellant 3] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen de ambtshalve premievaststelling en boeteoplegging over het jaar 1997, voor vernietiging in aanmerking. Het bezwaar van [appellant 3] tegen de ambtshalve premievaststelling en boeteoplegging over het jaar 1997 dient alsnog met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb ongegrond te worden verklaard. Voor het overige komt de aangevallen uitspraak van 7 november 2001 voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van [Appellant 3] in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken van 8 augustus 2000, 10 augustus 2000, 4 december 2001 en 11 december 2001;
Vernietigt de aangevallen uitspraak van 7 november 2001, voor zover daarbij is geoordeeld dat gedaagde [appellant 3] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen de ambtshalve premievaststelling en boeteoplegging over het jaar 1997;
Bepaalt dat het bezwaar van [appellant 3] in zoverre alsnog ongegrond wordt verklaard;
Bevestigt de aangevallen uitspraak van 7 november 2001 voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van [appellant 3] in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot 1.288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan [appellant 3] het betaalde recht in beroep van 24,98 en in hoger beroep van 77,14 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x