Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AO0596
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-12-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er in dit geval sprake van een situatie dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen waardoor de kosten in de bezwaarfase voor vergoeding in aanmerking komen?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/1260 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is mr. J.D. Schouten, verbonden aan Ernst & Young Belastingadviseurs te Apeldoorn, op bij beroepschrift van 21 februari 2001 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 16 januari 2001 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen.

Gedaagde heeft op 9 mei 2001 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 september 2003, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. Schouten, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F. Gerritsma, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij beslissing van 11 oktober 1999 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 mei 1999, waarbij het verzoek om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten gericht tegen de herroepen primaire besluiten van 16 december 1996 en 9 december 1997 is afgewezen, ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich - onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad - op het standpunt gesteld dat weliswaar gebleken is dat het aan de primaire besluiten ten grondslag liggende onderzoek niet volledig is geweest en tot een onjuiste conclusie heeft geleid, maar dat niet gezegd kan worden dat dit onderzoek dermate ernstige bezwaren vertoont dat gezegd kan worden dat de primaire besluiten van 16 december 1996 en 9 december 1997 tegen beter weten in zijn genomen.

In hoger beroep is namens appellante naar voren gebracht dat gedaagde nimmer tot het opleggen van correctienota's had kunnen komen indien gedaagde een deugdelijk voorbereidend onderzoek had verricht alvorens de betreffende nota's op te leggen. Daarbij is namens appellante opgemerkt dat een deugdelijk onderzoek eerst gestart werd nadat alle bezwaren kenbaar waren gemaakt en nadat vervolgens interventie van de rechtbank had plaatsgevonden. Naar de mening van appellante is daarmee gegeven dat aan het onderzoek dat geresulteerd heeft in het looncontrole rapport van 24 juli 1996 dermate ernstige gebreken kleven dat, en dit in tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank, de primaire besluiten tegen beter weten in zijn genomen. Appellante stelt zich dan ook op het standpunt dat de primaire besluiten onzorgvuldig en in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand zijn gekomen en dat de kosten om deze besluiten ongedaan te maken geheel voor rekening van gedaagde dienen te komen.

De Raad overweegt als volgt.

Zoals uit de inmiddels vaste jurisprudentie blijkt, is het uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek tot schadevergoeding van de in de bezwaarschriftprocedure gemaakte kosten dat in beginsel integrale vergoeding van bedoelde kosten geboden is, indien het primaire besluit onrechtmatig blijkt te zijn. In de jurisprudentie is echter ook tot uitdrukking gebracht dat de bezwaarschriftprocedure in het bijzonder gericht is op een bestuurlijke heroverweging van een besluit en derhalve ook op herstel van gemaakte fouten. Met het oog hierop is in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 16 december 1993, Stb. 650, tot uitdrukking gebracht dat de in de bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de betrokkene moeten blijven en slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking komen. Van een bijzonder geval als hier bedoeld moet naar het oordeel van de Raad worden gesproken, indien de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoonde, dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen.

De Raad constateert in onderhavig geval dat hetgeen in bezwaar is aangevoerd heeft geleid tot een nader onderzoek van de zijde van gedaagde. Uit dat onderzoek is gebleken dat appellante een faciliterende rol voor onder andere de cameramensen en geluidstechnici verzorgde en niet als werkgever voor deze groep van personen aangemerkt diende te worden. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 20 mei 1999 de gewraakte primaire besluiten herroepen. Hoewel gedaagde eerst naar aanleiding van hetgeen in bezwaar is aangevoerd na een zorgvuldig onderzoek tot een conclusie is gekomen die ook voordien had kunnen worden getrokken, ziet de Raad, mede gelet op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie inzake de functie en betekenis van de bezwaarschriftenprocedure, geen aanleiding om te concluderen dat het primair besluit tegen beter weten in is genomen. Het feit dat appellante een actieve rol in de bezwaarfase heeft gespeeld, maakt naar het oordeel van de Raad evenmin dat wanneer uit het nadere onderzoek blijkt dat het primaire besluit niet houdbaar is, gedaagde tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en deswege de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht termen tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. A.F.M. Brenninkmeijer, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 december 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x