Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AO2793
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de lijfrente-uitkering aan te merken als inkomsten uit hoofde van een dienstbetrekking, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit beperking kring verzekerden Ziekenfondswet?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 01/4051 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 20 december 1999 heeft appellant aan gedaagde medegedeeld dat hij niet verplicht verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw).

Bij besluit van 6 april 2000 (verder te noemen: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 1 juni 2001 (registratienummer 00/814 WW) het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, appellant opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen en een beslissing gegeven inzake het griffierecht.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 januari 2004. Namens appellant is verschenen P.A.A. Soer-Weterings, werkzaam bij het Uwv en gedaagde is in persoon verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

Bij het einde van zijn dienstverband in 1998 is gedaagde met zijn toenmalig werkgever overeengekomen dat deze een stamrecht zou aankopen, uit hoofde waarvan gedaagde maandelijks een lijfrente ontving.
Ingaande 4 januari 1999 ontving gedaagde een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en na verloop van een jaar heeft appellant getoetst of gedaagde verplicht verzekerd is ingevolge de Zfw. Het daarbij in aanmerking genomen inkomen bestond uit de WW-uitkering en de lijfrente. Gedaagde heeft bestreden dat de lijfrente bij de toetsing van de verzekeringsplicht ingevolge de Zfw een rol speelt. Appellant heeft zijn standpunt, ook na bezwaar, gehandhaafd.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en daarbij doorslaggevend geacht dat gedaagde een vrije keus had bij de besteding van de door zijn ex-werkgever verstrekte beŽindigingsvergoeding. Hij had er ook voor kunnen kiezen om de geldsom rechtstreeks op zijn bankrekening te laten storten of om de geldsom naar eigen goeddunken aan te wenden voor de aankoop van (consumptieve) goederen. In beide gevallen zou de geldsom geen rol hebben gespeeld bij de vaststelling van gedaagdes jaarloon voor de Zfw.

In hoger beroep heeft appellant het standpunt van de rechtbank uitgebreid gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt als volgt.

In geschil is het antwoord op de vraag of de lijfrente-uitkering van gedaagde is aan te merken als inkomsten uit hoofde van een dienstbetrekking, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit beperking kring verzekerden Ziekenfondswet. De Raad heeft die vraag in de uitspraak van 6 september 2001 (gepubliceerd in USZ 2001/277 en RSV 2001/262) bevestigend beantwoord. Daarbij heeft de Raad doorslaggevend geacht dat er sprake is van een causale relatie tussen de lijfrente-uitkering en de dienstbetrekking waaruit het recht op WW-uitkering voortvloeit. De situatie van gedaagde wijkt niet in betekenende mate af van de situaties die hebben geleid tot de uitspraak van 6 september 2001. Dat betekent dat ook in gedaagdes situaties moet worden geoordeeld dat appellant terecht heeft vastgesteld dat de bedoelde inkomsten van belang zijn bij de vraag of gedaagde verplicht verzekerd is voor de Zfw.

Het beroep van gedaagde op het gelijkheidsbeginsel heeft appellant eveneens terecht verworpen. Gedaagde heeft aangevoerd dat een groot aantal ex-collega's van hem die in een vergelijkbare situatie zouden verkeren wel verplicht verzekerd is voor de Zfw. Gedaagde heeft vijf namen van ex-collega's willen noemen. Appellant heeft daarnaar onderzoek verricht en vastgesteld dat die ex-collega's niet in een vergelijkbare situatie verkeerden. De Raad heeft geen aanleiding gevonden aan de juistheid van die vaststelling te twijfelen. Van andere ex-collega's die in een vergelijkbare situatie zouden verkeren is, doordat gedaagde welbewust geen namen heeft genoemd, niet kunnen blijken.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden en dat het beroep alsnog ongegrond wordt verklaard. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. R.C. Stam in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2004.

(get.) R.C. Stam.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x