Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AO3540
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-05-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en zijn over de aan betrokkene gedane betalingen premies verschuldigd?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/6643 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift van 12 maart 2001 aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 7 november 2000 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. H. Bevers, werkzaam bij BDO Walgemoed CampsObers, belastingadviseurs te Alphen aan den Rijn, een op 27 april 2001 gedagtekend verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 februari 2003, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. D.B. Smaalders, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Bevers voornoemd.




II. MOTIVERING


Gedaagde houdt zich bezig met consultancywerkzaamheden op het gebied van werving en selectie van personeel. [naam bedrijf] Consultants A.G. te Zwitserland (hierna: [naam bedrijf]) bezit 60% van de aandelen van gedaagde, terwijl de overige 40% van de aandelen in bezit zijn van [bedrijfsnaam 2] Partners B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] en opgericht op 26 september 1996 (hierna: [bedrijfsnaam 2]). Middels zijn persoonlijke vennootschap bezat [naam vennoot] (hierna: [naam vennoot]) 56% van de aandelen van [bedrijfsnaam 2] en [betrokkene] (hierna: betrokkene) - eveneens middels haar persoonlijke vennootschap - de overige aandelen. Bestuurders van gedaagde zijn [naam bedrijf] en [bedrijfsnaam 2]. De aandeelhouders van [bedrijfsnaam 2] - in feite [naam vennoot] en betrokkene - hebben een aandeelhoudersovereenkomst gesloten, waarin zij onder meer zijn overeengekomen dat zij jaarlijks één hunner zullen aanwijzen die voor de duur van twaalf maanden bestuurder zal zijn van [bedrijfsnaam 2]. Als eerste hebben zij [naam vennoot] aangewezen. Blijkens het zich onder de gedingstukken bevindende uittreksel uit het handelsregister ten aanzien van [bedrijfsnaam 2] was de persoonlijke vennootschap van [naam vennoot] vanaf 26 september 1996 bestuurder van [bedrijfsnaam 2]. De persoonlijke vennootschap van betrokkene is tot bestuurder van [bedrijfsnaam 2] benoemd met ingang van 8 januari 1998. Blijkens het uittreksel uit het handelsregister ten aanzien van gedaagde is [naam vennoot] procuratiehouder gebleven met de persoonlijke titel van directeur. Zowel de statuten van [bedrijfsnaam 2] als van gedaagde bepalen dat een besluit tot schorsing of ontslag van een bestuurder slechts mogelijk is bij een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen in de algemene vergadering van aandeelhouders. De Raad markeert dat appellant dit ten aanzien van [bedrijfsnaam 2] niet heeft onderkend.

Appellant heeft na onderzoek besloten dat betrokkene de ten behoeve van gedaagde verrichte werkzaamheden heeft verricht in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, dan wel aan een hieraan gelijkgestelde arbeidsverhouding en dat gedaagde over de sedert 1 september 1996 aan betrokkene gedane betalingen premies is verschuldigd. Bij besluit 1 juli 1998 heeft appellant na bezwaar zijn ingenomen standpunt gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat er in dit geval sprake is van een uitzonderingssituatie, omdat het gelet op de gesloten aandeelhoudersovereenkomst uitgesloten moet worden geacht dat betrokkene in een conflictsituatie zou kunnen worden geconfronteerd met enige vorm van gezagsuitoefening van de zijde van de algemene vergadering van aandeelhouders van [bedrijfsnaam 2]. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verhouding tussen [naam vennoot] en betrokkene de aard en strekking heeft van gezamenlijk ondernemerschap en dat betrokkene als zelfstandige dient te worden beschouwd, zodat evenmin verzekeringsplicht aanwezig kan worden geacht op grond van artikel 5 van de sociale werknemersverzekeringswetten.

Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft in hoger beroep ter onderbouwing van zijn standpunt - kort samengevat - aangevoerd dat betrokkene in de algemene vergadering van aandeelhouders van [bedrijfsnaam 2] haar onwelgevallige beslissingen niet kan tegenhouden, in welk geval het gelet op de jurisprudentie van de Raad er in beginsel voor moet worden gehouden dat sprake is van een gezagsverhouding tot die besloten vennootschap. Op grond hiervan neemt appellant aan dat [naam vennoot] zonder inmenging van betrokkene in de algemene vergadering van gedaagde kan instemmen met een besluit tot schorsing of ontslag van betrokkene in haar hoedanigheid van directeur.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Zoals hiervoor is aangegeven, zijn [naam bedrijf] en [bedrijfsnaam 2] bestuurders van gedaagde. Zoals ook in de statuten van [bedrijfsnaam 2] is bepaald wordt deze vennootschap vertegenwoordigd door haar directie. Niet is gebleken dat aan betrokkene dan wel aan haar persoonlijke vennootschap ter zake vertegenwoordigingsbevoegdheid is verleend. In ieder geval maakt het handelsregister daarvan geen melding. Tot 8 januari 1998 was alleen de persoonlijke vennootschap van [naam vennoot] bestuurder van [bedrijfsnaam 2] en was deze persoonlijke vennootschap - en derhalve feitelijk [naam vennoot] - dan ook mede met het bestuur van gedaagde belast. Betrokkene had tot die datum (middellijk) geen statutaire positie binnen gedaagde. Dit betekent dat tot die datum betrokkene geacht moet worden bij gedaagde werkzaam te zijn geweest onder gezag van het bestuur van gedaagde. Dit zou slechts anders zijn geweest, indien zij als aandeelhoudster van [bedrijfsnaam 2] in een positie verkeerde om haar onwelgevallige besluiten van het bestuur van gedaagde tegen te houden. Gelet op de aandelenverhouding was daarvan geen sprake. Evenmin vormde de tussen de persoonlijke vennootschap van betrokkene en de persoonlijke vennootschap van [naam vennoot] gesloten aandeelhoudersovereenkomst een beletsel voor gezagsuitoefening door het bestuur van gedaagde. De positie van betrokkene veranderde evenwel op 8 januari 1998, met ingang waarvan zij bestuurder werd van [bedrijfsnaam 2] en, nu deze vennootschap mede het bestuur vormt van gedaagde, werd zij (middellijk) tevens bestuurder van gedaagde. Gelet op hetgeen in de statuten van zowel gedaagde als van [bedrijfsnaam 2] is bepaald omtrent schorsing en ontslag van bestuurders moet worden vastgesteld dat betrokkene vanaf meergenoemde datum niet langer onder gezag werkzaam was. Vanaf die datum was er evenmin sprake van een fictieve dienstbetrekking. Op dit punt onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van gedaagde slechts gedeeltelijk slaagt en deswege de aangevallen uitspraak gedeeltelijk voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij met betrekking tot de situatie tot 8 januari 1998 het inleidend beroep gegrond is verklaard en het bestreden besluit is vernietigd;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre ongegrond;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Roeland als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R. Roeland.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x