Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AO3588
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ter zake van de verrichte advieswerkzaamheden wordt betrokkene als verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen aangemerkt, omdat deze werkzaamheden in dienstbetrekking zouden zijn verricht.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/3257 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de tussen partijen door de rechtbank 's-Gravenhage op 7 juni 2001 gewezen uitspraak, waarbij het door appellant ingestelde beroep tegen gedaagdes besluit van 11 januari 2000 ongegrond is verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 december 2003, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft bij besluit van 10 augustus 1999 ter zake van de door appellant ten behoeve van [naam B.V.] [gevestigd te Y. ] ([naam B.V.]) in de periode van 24 november 1997 tot en met 30 april 1999 verrichte advieswerkzaamheden appellant als verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen aangemerkt, omdat deze werkzaamheden in dienstbetrekking voor [naam B.V.] zouden zijn verricht. Het daartegen ingestelde bezwaar heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 11 januari 2000 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft subsidiair de grondslag voor de verplichte verzekering aangenomen op grond van artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986 (Stb 1986, 655, hierna het KB).

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, kort gezegd, omdat de hiervoor genoemde werkzaamheden door appellant in dienst van [naam B.V.] zijn verricht.

De Raad overweegt het volgende.

Dat in de aangevallen uitspraak is volstaan met de, feitelijk juiste, vermelding dat appellant niet ter zitting van de rechtbank was verschenen zonder dat daarbij melding is gemaakt dat appellant zijn afwezigheid had aangekondigd, kan niet leiden tot vernietiging van die uitspraak.

Anders dan appellant veronderstelt, is er geen aanleiding om aan te nemen dat de rechtbank geen acht heeft geslagen op de schriftelijke reactie van appellant van 11 maart 2001. Weliswaar wordt van dat stuk in de rubriek ontstaan en loop van het geding geen melding gemaakt, maar de betreffende brief bevindt zich onder de door de griffier van de rechtbank aan de Raad toegezonden stukken en, blijkens de door appellant zelf telefonisch ingewonnen inlichtingen, was het gedingstuk ruimschoots voor de zitting ter griffie van de rechtbank ontvangen. Deze brief bevat overigens alleen commentaar met betrekking tot het door gedaagde subsidiair ingenomen standpunt, zodat de rechtbank, die de primaire stellingname van gedaagde heeft onderschreven, de inhoud van die brief niet behoefde bespreken.

De Raad staat in de eerste plaats voor de beantwoording van de vraag of kan worden aangenomen dat appellant zijn hiervoor vermelde werkzaamheden in dienstbetrekking heeft verricht. Deze vraag beantwoordt de Raad, anders dan de rechtbank, ontkennend, nu de door gedaagde verzamelde, schaarse en weinig relevante informatie bevattende, gegevens onvoldoende steun geven voor de conclusie dat appellant zijn werkzaamheden in ondergeschiktheid tot [naam B.V.] heeft verricht, zeker nu ter zitting van de Raad is gebleken dat van het opstellen van een strategisch investeringsplan door appellant geen sprake is geweest.

Gedaagde heeft zijn standpunt ten aanzien van artikel 5 van het KB in de loop van het geding gewijzigd in die zin dat hij aanneemt dat sprake is geweest van vier verschillende opdrachten. Voor de laatste twee opdrachten kan, aldus nader gedaagde, geen verzekeringsplicht worden aangenomen, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat de arbeidsverhouding is aangegaan voor een aaneengesloten periode van ten minste dertig dagen. Dat nadere standpunt kan slechts zien op de door appellant na 28 maart 1999 verrichte werkzaamheden.

Daarmee ziet de Raad zich gesteld voor de vraag of gedaagde op goede gronden heeft aangenomen dat ter zake van de door hem voor [naam B.V.] in de periode tot en met 19 februari 1999 verrichte werkzaamheden appellant ingevolge artikel 5 van het KB als verzekerd dient te worden beschouwd. Deze vraag beantwoordt de Raad bevestigend. Op grond van de door appellant zelf gedane opgave staat vast dat hij op doorgaans ten minste twee dagen per week werkzaam was. Daarbij is, anders dan appellant meent, niet van belang het aantal uren dat per dag is gewerkt.

Zodoende kan de aangevallen uitspraak geen stand kan houden. De Raad zal het beroep gegrond verklaren in zoverre gedaagde verzekeringsplicht heeft aangenomen voor de door appellant na 28 maart 1999 verrichte werkzaamheden en het bestreden besluit van 11 januari 2000 in zoverre vernietigen.

Van met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond in zoverre gedaagde verzekeringsplicht heeft aangenomen voor de door appellant na 28 maart 1999 verrichte, hiervoor aangeduide werkzaamheden;
Vernietigt het bestreden besluit van 11 januari 2000 in zoverre;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het door hem betaalde griffierecht ad € 104,37 (voorheen f 230,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x