Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AO3590
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Heeft betrokkene verzekeringsplichtige arbeid verricht ten behoeve van de maatschap? Persoonlijke dienstverrichting; gezagsrelatie; verplichting tot loonbetaling.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/3319 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de maatschap [naam maatschap], te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet uitvoeringsstructuur werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet uitvoeringsstructuur werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 28 juni 2000 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen een besluit van 18 november 1999, waarbij te kennen is gegeven dat [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) ter zake van zijn werkzaamheden voor appellante vanaf februari 1997 verplicht verzekerd is ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten.

De rechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 25 april 2001 het namens appellante tegen genoemde beslissing op bezwaarschrift ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante is bij gemachtigde, mr. N.L.J. van Velzen, werkzaam bij PricewaterhouseCoopers N.V. Belastingadviseurs, van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op de gronden die zijn uiteengezet in een aanvullend beroepschrift van 9 augustus 2001.

Gedaagde heeft onder dagtekening 4 september 2001 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van appellante is bij brief van 5 december 2001 een nader stuk in het geding gebracht.

De gemachtigde van appellante heeft bij schrijven van 12 november 2003 een pleitnota aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 november 2003, waar namens gedaagde is verschenen mr. F. Gerritsma, werkzaam bij het Uwv. Appellante heeft zich niet ter zitting doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


1. In dit geding is de vraag aan de orde of [betrokkene] vanaf februari 1997 verzekeringsplichtige arbeid heeft verricht ten behoeve van appellante.

2. Met betrekking tot de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, is uit de gedingstukken en ter zitting van de Raad het volgende naar voren gekomen.

Sedert 1991 drijft [betrokkene] een eenmanszaak, waarvan de bedrijfsomschrijving in het handelsregister luidt: textielagent; financieel administratieve dienstverlening en adviezen.
Aangezien de inkomsten uit de textielagentuur in 1996 sterk terugliepen is [betrokkene] zich gaan toeleggen op automatiseringswerkzaamheden.
Eind 1996 is [betrokkene] werkzaamheden gaan verrichten voor appellante, een notarismaatschap met kantoor te Haarlem. De sedert februari 1997 uitgevoerde werkzaamheden betroffen in hoofdzaak het automatiseren en reorganiseren van de administratie van dit kantoor.
Appellante heeft [betrokkene] uitsluitend betaald op basis van de door hem gewerkte uren.
[betrokkene] heeft zelf zorggedragen voor het afsluiten van verzekeringen tegen ziekte en arbeidsongeschiktheid.
Vanaf november 1997 had [betrokkene] ook andere opdrachtgevers.
[betrokkene] heeft voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor hij niet voldoende deskundig was, gebruik gemaakt van de diensten van een tweetal gespecialiseerde bedrijven. In de periode hier in geding is dit negen maal voorgekomen. De kosten van deze verrichtingen heeft [betrokkene] doorberekend aan appellante.

3. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat in de periode in geding (-) voor [betrokkene] de verplichting bestond tot persoonlijke dienstverrichting (-) sprake was van een gezagsrelatie tussen [betrokkene] en appellante, en (-) voor appellante de verplichting bestond tot loonbetaling aan [betrokkene].

Ter zake van de verplichting van [betrokkene] de overeengekomen werkzaamheden persoonlijk te verrichten, heeft gedaagde in aanmerking genomen dat appellante [betrokkene] heeft aangetrokken vanwege diens bijzondere kwaliteiten. Mede in verband met de aard van de werkzaamheden heeft gedaagde aangenomen dat vervanging van [betrokkene] door derden, zonder toestemming van appellante niet was toegelaten. Dat [betrokkene] zich een aantal malen heeft laten vervangen door personeel van eerderbedoelde gespecialiseerde bedrijven, doet hieraan - naar de mening van gedaagde - niet af, aangezien het ging om bedrijven die aan appellante bekend waren omdat zij eerder voor haar hadden gewerkt.

4. De rechtbank heeft voormelde opvatting van gedaagde onderschreven en daartoe onder meer overwogen dat, mede gelet op de aard van het werk, de daarvoor vereiste specifieke deskundigheid en het feit dat het werk met zich brengt dat men in aanraking komt met vertrouwelijke gegevens, het onaannemelijk moet worden geacht dat [betrokkene] zich vrijelijk, zonder voorafgaande toestemming van appellante kon laten vervangen.

5. Het geheel van ter zake dienende feiten en omstandigheden overziende, komt de Raad tot het oordeel dat daarin onvoldoende steun kan worden gevonden voor de opvatting van gedaagde, dat [betrokkene] krachtens de tussen hem en appellante geldende overeenkomst geacht moet worden te zijn gehouden tot het persoonlijk verrichten van de met appellante afgesproken werkzaamheden.

Hierbij neemt de Raad in overweging dat noch uit hetgeen [betrokkene] en appellante hebben verklaard, noch uit de gedingstukken waarin hun wederzijdse relatie naar voren komt, een zodanige verplichting valt af te leiden.
Ook de aard van de verrichte werkzaamheden, die de ondersteuning en de infrastructuur van het werk op het notariskantoor betroffen, geven geen aanleiding zulk een verplichting aanwezig te achten. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat het niet ongebruikelijk is dergelijke werkzaamheden uit te besteden aan zelfstandige bedrijven die beschikken over deskundigheid die bij de betrokken organisatie niet aanwezig is. Dat in verband met het vertrouwelijke karakter van de gegevens waarmee wordt omgegaan, zorgvuldigheid geboden is bij het inschakelen van personen die toegang hebben tot die gegevens (hetgeen veelal zal betekenen dat daaromtrent met de opdrachtgever afspraken worden gemaakt), wil op zichzelf niet zeggen dat, indien het werk door een persoon in het kader van een eenmansbedrijf wordt verricht, de omstandigheid dat inschakeling van een deskundige derde geschiedt met medeweten van de opdrachtgever, een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting impliceert.
Overigens is niet gebleken dat het inschakelen van voornoemde gespecialiseerde bedrijven door [betrokkene], met toestemming van appellante heeft plaatsgevonden. Dat genoemde inschakeling kennelijk de instemming had van appellante, houdt naar moet worden aangenomen, verband met de omstandigheid dat deze bedrijven eerder voor appellante hadden gewerkt. Het is niet onbegrijpelijk dat [betrokkene], waar nodig, gebruik heeft gemaakt van de diensten van deze bedrijven. Echter, ook deze omstandigheid impliceert op zichzelf geen verplichting in vorenomschreven betekenis.

Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de slotsom dat gedaagde ten onrechte heeft geoordeeld dat [betrokkene] ter zake van zijn werkzaamheden voor appellante vanaf februari 1997 verplicht verzekerd was ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten.

Mitsdien slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,-- voor verleende rechtsbijstand.

Derhalve moet worden beslist zoals hierna is vermeld.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van gedaagde d.d. 28 juni 2000; Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,-- te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante vergoedt het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde recht ten bedrage van € 510,50.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x