Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AO7640
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het pensioenfonds is in zijn hoedanigheid van inhoudingsplichtige geen bestuursorgaan.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/1130 ALGEM en 00/1131 ALGEM




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

1. de Stichting Mn Services, gevestigd te Rijswijk, en
2. de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal en Technische Bedrijfstakken, gevestigd te Rijswijk, appellanten,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Bij brief van 17 april 1998 heeft de toenmalige Ziekenfondsraad, thans het College voor zorgverzekeringen, gehandhaafd zijn in een aan appellante sub 1 gerichte brief van 9 januari 1998 vervatte standpunt dat hij de mening van gedaagde dat hij geen ziekenfondspremie is verschuldigd over dat deel van zijn pensioen dat voortvloeit uit door hem op vrijwillige basis gedane stortingen, niet deelt.

Bij brief van 21 juli 1998 heeft appellante sub 1 gehandhaafd haar standpunt, vervat in een brief van 26 januari 1998, dat zij over het volledige ouderdomspensioen dat zij uitkeert aan gedaagde, ziekenfondspremie dient in te houden.

Naar aanleiding van deze brieven heeft gedaagde beroep ingesteld.

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 12 januari 2000 zich niet bevoegd verklaard ter zake van het beroep tegen de brief van 17 april 1998, het beroep gericht tegen het bestreden besluit van appellante sub 1 van 21 juli 1998 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, appellante sub 1 opgedragen om binnen 8 weken na dagtekening van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 28 mei 1998 met inachtneming van deze uitspraak, appellante sub 1 veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en gelast dat appellante sub 1 het door gedaagde betaalde griffierecht vergoedt.

Appellanten zijn bij gemachtigde mr. J.V. van Ophem, advocaat te Leeuwarden, op bij aanvullend beroepschrift van 13 april 2000 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft mr. G.J. Knotter, advocaat te Woerden, een verweerschrift (met bijlagen), gedateerd 9 juni 2000, ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 mei 2003, waar voor appellanten zijn verschenen mr. Van Ophem, voornoemd, en waar gedaagde, zoals aangekondigd, niet is verschenen.

Na de behandeling van de gedingen ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Bij brief van 12 juni 2003 heeft de Raad het College voor zorgverzekeringen verzocht zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de vraag welk orgaan bevoegd is tot vaststelling van de ziekenfondspremie over het pensioen van gedaagde.

Bij brief van 25 juli 2003 heeft het College voor zorgverzekeringen zijn standpunt kenbaar gemaakt.

Bij brieven van 5 augustus 2003 en 22 augustus 2003 hebben partijen op de brief van het College voor zorgverzekeringen gereageerd.

De gedingen zijn opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 december 2003, waar voor appellanten wederom is verschenen mr. Van Ophem, voornoemd, en waar gedaagde na voorafgaand bericht niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagde is deelnemer in het pensioenfonds van appellante sub 2. Namens appellante sub 2 ontvangt hij van appellante sub 1 een pensioenuitkering. Appellante sub 1 is het administratiekantoor van appellante sub 2. Een deel van deze uitkering is een aanvullend pensioen gebaseerd op vrijwillige koopsomstortingen. Over het volledige pensioen dat gedaagde ontvangt, wordt ziekenfondspremie ingehouden. Gedaagde is van mening dat er geen ziekenfondspremie verschuldigd is over zijn aanvullend pensioen.
Bij brief van 26 januari 1998 heeft appellante sub 1 gedaagde laten weten deze mening niet te delen. Daarbij heeft appellante sub 1 verwezen naar een ontvangen bericht van de toenmalige Ziekenfondsraad. Deze raad heeft appellante sub 1 bij brief van 9 januari 1998 desgevraagd medegedeeld dat over het volledige ouderdomspensioen premie dient te worden ingehouden. Gedaagde heeft tegen zowel de brief van appellante sub 1 van 26 januari 1998 als tegen de brief van de Ziekenfondsraad bezwaar aangetekend. Dit heeft geleid tot de in rubriek I vermelde brieven van 17 april 1998 en 21 juli 1998. Appellante sub 1 is zich bij haar brief op het standpunt blijven stellen dat terecht ziekenfondspremie wordt ingehouden over het vrijwillige deel van de pensioenuitkering. Voorts heeft appellante sub 1 aangegeven dat gedaagde bij het maken van bezwaar met zijn brief van 28 mei 1998 naar haar mening ten onrechte uit is gegaan van een door haar genomen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Tegen beide brieven heeft gedaagde beroep ingesteld.

Met betrekking tot de brief van 17 april 1998 van de Ziekenfondsraad heeft de rechtbank overwogen dat deze brief een nadere uitleg bevat van regelgeving die door hem in het kader van zijn coördinerende taak is gegeven. Die uitleg is naar het oordeel van de rechtbank niet als een rechtshandeling aan te merken omdat ze niet op rechtsgevolg is gericht. Evenmin is sprake van een beslissing op bezwaar in de zin van de Awb. De correspondentie die gevoerd is kan niet worden aangemerkt als een bezwaarschrift en een daarop genomen beslissing. De rechtbank heeft zich ter zake van het ingediende beroepschrift onbevoegd verklaard.

Van deze beslissing van de rechtbank is gedaagde niet in hoger beroep gekomen.

De brief van appellante sub 2 van 21 juli 1998 heeft de rechtbank opgevat als een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van gedaagde tegen de premiebeslissing van 26 januari 1998.

Omtrent deze brief heeft de rechtbank bij haar uitspraak, waarin gedaagde is aangeduid als eiser en appellante sub 1 als verweerder sub 2, het volgende overwogen:
"De rechtbank ziet aanleiding eerst vast te stellen welk orgaan met betrekking tot de vaststelling van de premie over inkomsten uit of in verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfsleven bevoegd is. Zij acht daartoe de volgende bepalingen relevant.

Eiser is verzekerd ingevolge artikel 3, eerste lid, onder c, van de Ziekenfondswet (Zfw). Dit artikel bepaalt dat degene die naar de omstandigheden beoordeeld hier te lande woonachtig is en op de laatste dag van de voorafgaande maand verzekerde was, vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zal bereiken, is verzekerd.
Artikel 18, eerste lid, van de Zfw bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor (onder meer) de verzekerde bedoeld in artikel 3, eerste lid c, wordt bepaald of premie en, zo ja, welke premie verschuldigd is, naar welke regelen die premie wordt berekend, wie de premie verschuldigd is, wie de premie afdraagt en welk orgaan voor de premie-inning wordt aangewezen. Bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur worden de nodige voorschriften gegeven betreffende de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie, kunnen verplichtingen worden opgelegd tot het verstrekken van inlichtingen en tot het geven van inzage in boeken en bescheiden, nodig voor de beoordeling van de verzekeringsplicht en de vaststelling van de premie, en kunnen de nodige regelen worden gesteld met betrekking tot de controle op inhouding en afdracht van premie.

Artikel 14, eerste lid, van het Aanwijzingsbesluit verplicht verzekerden Ziekenfondswet (Besluit van 23 december 1965, Stb. 1965, 638), hierna het Aanwijzingsbesluit, bepaalt dat - onder meer - degenen bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c, van de Zfw premie verschuldigd zijn over - onder meer - hun inkomsten uit of in verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven. Onze minister bepaalt welke inkomsten worden beschouwd als inkomsten uit of in verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven.

Het vierde lid, onder b, van laatstgenoemd artikel bepaalt dat voor de verzekering van degenen bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c, van de Zfw de in het derde lid bedoelde premie op de inkomsten uit of in verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfsleven, voor zover die inkomsten bestaan uit door Onze Minister aan te wijzen uitkeringen, wordt ingehouden door het orgaan dat die uitkeringen betaalbaar stelt, welk orgaan de premie stort in de Algemene Kas, bedoeld in artikel 71 van de Zfw.

Op grond van het achtste lid van laatstgenoemd artikel kan Onze Minister aan de in het vierde lid, onder b, bedoelde organen verplichtingen opleggen en voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en verantwoording van de premie.

Onze Minister, bedoeld in de laatste bepaling, heeft van de hem/haar daarbij verleende bevoegdheid geen gebruik gemaakt.

De rechtbank is op grond van de bepalingen van het vierde lid, onder b, en het achtste lid van voormeld artikel 14 in onderling verband gezien, van oordeel dat onder "inhouden" als bedoeld in het vierde lid, onder b, tevens dient te worden verstaan "vaststellen van de premie". Gebleken is voorts dat de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalnijverheid (hierna: het Bedrijfspensioenfonds) het hier aan de orde zijnde pensioen aan eiser betaalbaar stelt, zodat dit orgaan is aan te merken als het in het vierde lid, onder b, bedoelde orgaan.
Het voorgaande brengt de rechtbank, in overeenstemming met het betoog van verweerder sub 1 ter zitting, dan ook tot het oordeel dat het Bedrijfspensioenfonds het orgaan is dat belast is met de vaststelling en de invordering van de ziekenfondspremie over het pensioen van eiser.

De rechtbank is van oordeel dat de brief van 26 januari 1998 in materiële zin een besluit bevat als bedoeld in artikel 14, vierde lid, sub b, van het Aanwijzingsbesluit. Verweerder sub 2 heeft het bezwaar tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat van een besluit in de zin van de Awb geen sprake zou zijn. Anders dan verweerder sub 2 is de rechtbank evenwel van oordeel dat de premiebeslissing in de brief van 26 januari 1998 wel als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet worden aangemerkt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de beslissing het karakter heeft van een definitief bedoelde toepassing van een wettelijk voorschrift en derhalve op rechtsgevolg is gericht.
Het voorgaande leidt dan ook tot de conclusie dat de beslissing op bezwaar van 21 juli 1998 niet in stand kan blijven en vernietigd moet worden. Op het bezwaar tegen het besluit van 26 januari 1998 zal opnieuw moeten worden beslist. Daarbij zal verweerder sub 2 duidelijkheid dienen te creëren over zijn relatie met het Bedrijfspensioenfonds en onder meer de vragen moeten beantwoorden of hij bevoegd is om namens het Bedrijfspensioenfonds besluiten tot premievaststelling te nemen en, zo ja, of hij bevoegd is in voorkomende gevallen op bezwaarschriften tegen dergelijke besluiten te beslissen. Indien verweerder sub 2 tot de conclusie moet komen dat hij niet bevoegd is om op het bezwaar te beslissen zal verweerder sub 2 de behandeling van het bezwaar aan het Bedrijfspensioenfonds dienen over te dragen. Bij de alsdan nieuw te nemen besluiten kan een eventuele onbevoegdheid ten aanzien van de beslissing in primo worden gerepareerd."

Appellanten kunnen zich met dit oordeel niet verenigen. Samengevat zijn zij van mening dat zij niet kunnen worden aangemerkt als bestuursorganen, aangezien aan hen geen beslissings-, beoordelings- of beleidsvrijheid toekomt. De inhoudingsplicht van een pensioenfonds en de hoogte van de verschuldigde premie vloeien rechtstreeks voorts uit de wettelijke regelingen ter zake. Naar hun mening verrichten zij slechts feitelijke handelingen. Onder vaststellen als waarvan sprake is in de door de rechtbank aangehaalde artikelen dient naar hun mening niet te worden verstaan het vaststellen van de hoogte van de premie, die bevoegdheid komt hen niet toe, doch slechts het berekenen van de verschuldigde premie, zulks met inachtneming van de wettelijke bepalingen. Naar hun mening gaat de rol van een pensioenfonds niet verder dan het feitelijk innen van de door een pensioengerechtigde verschuldigde ziekenfondspremie en het vervolgens afdragen van die premies aan de Algemene Kas, beheerd door het College voor zorgverzekeringen.

Gedaagde heeft zich geschaard achter de overwegingen van de rechtbank.

In de loop van de procedure in hoger beroep heeft de Raad aanleiding gezien het College voor zorgverzekeringen te verzoeken zijn standpunt kenbaar te maken omtrent de uitspraak van de rechtbank alsmede omtrent de door partijen ingenomen standpunten.

Bij zijn in rubriek I vermelde brief van 25 juli 2003 heeft dit college onder meer het volgende gesteld:
"Waar in het kader van de bij u aanhangige gedingen noch het UWV, noch het CVZ, noch een andere derde is aangewezen als orgaan dat bevoegd is tot vaststelling van de ziekenfondspremie over het pensioen resteert nog slechts de mogelijkheid dat het pensioenorgaan geacht moet worden die bevoegdheid te hebben dan wel dat niemand daartoe bevoegd is waarbij dan het handelen van het pensioenfonds, in de zin van het berekenen, het inhouden en afdragen van de premie als een feitelijk, in elk geval als een niet-publiekrechtelijk handelen wordt aangemerkt.
De Rechtbank neemt onder verwijzing naar het achtste lid van artikel 14 van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw het standpunt in dat het pensioenfonds de premie in publiekrechtelijke zin vaststelt. De Rechtbank acht kennelijk door de verwijzing in het achtste lid naar het vierde lid van artikel 14 onder de daar genoemde premie-inning en -inhouding ook de vaststelling begrepen. Die conclusie geldt behalve voor het premie-innende ziekenfonds (zie slot vierde lid) ook voor het pensioenfonds. De Rechtbank gaat er met haar standpunt verder van uit dat de regelgever met "het vaststellen van de premie" een publiekrechtelijke bevoegdheid voor ogen heeft. Dat is in de context waarin die terminologie in de ziekenfondsregelgeving en vermoedelijk ook elders in de sociale verzekeringswetgeving wordt gebruikt aannemelijk. Overigens kan voor het argument dat de Rechtbank ontleent aan artikel 14, achtste lid van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw ook steun gevonden worden in artikel 14b, eerste lid dat een verplichting aan onder meer de gepensioneerde verzekerden oplegt tot het verstrekken van inlichtingen aan onder meer het orgaan dat met de premie inhouding- en afdracht is belast: "(…) voor zover deze zulks voor de beoordeling van de verzekeringsplicht en de vaststelling van de premie nodig acht". Ik wil in het midden laten of de uitspraak van de Rechtbank qua uitkomst voor CVZ als beheerder van de Algemene Kas in alle opzichten bevredigend is te noemen. De uitspraak lijkt echter in lijn met de regelgeving, wat niet wegneemt dat er ook ruimte aanwezig lijkt voor een ander oordeel. De uitspraak van de Rechtbank is in elk geval bevredigend in die zin dat de administratieve rechter, die gewoonlijk over sociale verzekeringsgeschillen oordeelt, ook over een geschil als het onderhavige beslist. Daarmee wordt bovendien in deze specifieke situaties van verzekerde gepensioneerden voorkomen dat de beroepsgang in het kader van de vaststelling van de procentuele premie Zfw voor een gepensioneerde zou kunnen verschillen naar gelang sprake is van toepassing van onderdeel b of onderdeel c van lid 4 van artikel 14 of van beide."

Met betrekking tot de vraag of een pensioenfonds als appellante sub 2 in zijn hoedanigheid van inhoudingsplichtige van de door een pensioengerechtigde verschuldigde ziekenfondspremie kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb overweegt de Raad het volgende. Appellanten zijn niet ingesteld krachtens publiekrecht. Zij zijn privaatrechtelijke rechtspersonen. Naar het oordeel van de Raad zijn zij voor wat betreft het inhouden en afdragen van ziekenfondspremies niet met enig openbaar gezag bekleed. Aan hen komt niet de bevoegdheid toe de rechtspositie (de rechten en/of verplichtingen) van andere rechtssubjecten, in hun geval personen aan wie zij een pensioenuitkering verstrekken, te bepalen. Weliswaar zijn zij krachtens de te dezen relevante publiekrechtelijke regelgeving gehouden de door een pensioengerechtigde verschuldigde ziekenfondspremie op de pensioenuitkering in te houden en af te dragen, doch deze wettelijke verplichting houdt niet in enige bevoegdheid ter zake van de door een pensioengerechtigde verschuldigde premie. In het bijzonder komt een pensioenfonds zowel met betrekking tot de hoogte van de verschuldigde nominale en percentuele premie als met betrekking tot de inkomsten waarover deze premies zijn verschuldigd, geen bevoegdheid toe. Met het vaststellen van de premie als bedoeld in artikel 14, achtste lid, van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw kan niet anders bedoeld zijn dan het berekenen van de verschuldigde premie. Anders dan het College voor zorgverzekeringen kennelijk meent is een pensioenfonds naar het oordeel van de Raad niet op een lijn te stellen met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank. Een pensioenfonds vervult in feite de rol van een werkgever. De Raad wijst er in dit verband ook op dat ingevolge artikel 14d van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw de controle op de inning en afdracht van de ziekenfondspremie wordt verricht door het College voor zorgverzekeringen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal onder vernietiging van de aangevallen uitspraak doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbende op appellante sub 1;
Verklaart de rechtbank niet bevoegd kennis te nemen van het beroep van gedaagde tegen de brief, gedateerd 21 juli 1998, van appellante sub 1.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 april 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x