Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AO8076
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Dienstbetrekking. Is onvoldoende gebleken van aanknopingspunten voor het bestaan van reŽel werkgeversgezag?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/5804 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 15 januari 2002 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Almelo onder dagtekening 3 oktober 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft ir. J.G.A. Kuhlmann bij schrijven van 14 februari 2002 (met bijlagen) van verweer gediend, aangevuld bij brieven van 9 april 2002 (met bijlagen) en 28 januari 2004 (met bijlagen).

Desgevraagd heeft appellant bij brief van 10 februari 2004 de Raad nadere stukken doen toekomen, waarop gedaagde bij schrijven van 16 februari 2004 (met bijlagen) heeft gereageerd. Bij brief van 13 februari 2004 heeft appellant de gronden nader aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 februari 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. D.B. Smaalders, werkzaam bij het UWV, terwijl gedaagde en haar echtgenoot in persoon zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagde was tot april 1983 als interieurarchitect werkzaam voor [werkgever] (hierna: [werkgever]). Daarna heeft gedaagde op zelfstandige basis werkzaamheden voor [werkgever] verricht. Vanaf 1990 heeft zij dit onder de naam Index gedaan. Sedert 1 januari 1999 heeft gedaagde zich onder de naam Index interieur design bezig gehouden met advieswerk omtrent de (her)inrichting van gebouwen en het voorbereiden dan wel organiseren van bedrijfsverhuizingen. Naar aanleiding van de resultaten van diverse onderzoeken heeft appellant bij besluit van 4 oktober 2000 ten aanzien van de werkzaamheden die gedaagde sedert 1 januari 1999 voor [werkgever] heeft verricht, verzekeringsplicht aangenomen op grond van artikel 3 van de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Bij het bestreden, na bezwaar genomen, besluit van 19 april 2001 heeft appellant gehandhaafd zijn standpunt dat gedaagde in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten tot [werkgever] heeft gestaan.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank aan de vernietiging van het bestreden besluit ten grondslag gelegd het oordeel dat onvoldoende gebleken is van aanknopingspunten voor het bestaan van reŽel werkgeversgezag.

Appellant, van mening zijnde dat wel sprake is van werkgeversgezag, kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen, zodat in hoger beroep de vraag dient te worden beantwoord of appellant terecht heeft aangenomen dat tussen gedaagde en [werkgever] een arbeidsverhouding heeft bestaan die verplichte verzekering op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten meebrengt. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten zijn de voorwaarden, de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en de verplichting tot loonbetaling, voor het aannemen van een verzekering als voornoemd niet in geding, en spitst het geschil in hoger beroep zich toe op het antwoord op de vraag of gedaagde onder gezag van [werkgever] werkzaam is geweest.

De Raad overweegt als volgt.

Gedaagde heeft sedert geruime tijd voor [werkgever] werkzaamheden verricht. Aanvankelijk heeft zij die werkzaamheden in loondienst verricht, terwijl zij dat vanaf 1983 op meer en meer zelfstandige basis heeft gedaan. Bij een looncontrole in oktober 1997 bleek dat [werkgever] buiten de loonadministratie om betalingen heeft verricht aan een aantal binnenhuisarchitecten en ontwerpers van kantoorinrichtingen, waaronder gedaagde.
Op gedaagde na is ten aanzien van alle binnenhuisarchitecten en ontwerpers zelfstandig ondernemerschap aangenomen omdat zij aan de criteria dienaangaande voldoen. Voornaamste reden om gedaagde niet als zelfstandig ondernemer aan te merken is dat zij alleen [werkgever] als opdrachtgever had, zij volgens de richtlijnen van [werkgever] diende te werken en dat [werkgever] de mogelijkheid heeft tot het geven van aanwijzingen. Ten gevolge hiervan heeft gedaagde zich enerzijds gericht op het verwerven van andere opdrachtgevers en anderzijds zich toegelegd op het voorbereiden en organiseren van bedrijfsverhuizingen, alsmede het adviseren omtrent de (her)inrichting van bedrijfsgebouwen. Sedert 1999 heeft zij deze werkzaamheden verricht handelend onder de naam Index. De Raad ziet in het geheel van de zich door de jaren heen veranderende omstandigheden, waarbij de economische afhankelijkheid van [werkgever] minder is geworden terwijl de aard van de werkzaamheden dermate is veranderd waardoor die werkzaamheden meer zijn komen te liggen in het verlengde van de uitoefening van het zelfstandige bedrijf van gedaagde, een situatie waarin voor [werkgever] eerder een bemiddelende rol is weggelegd tussen een klant van [werkgever] en gedaagde, dan dat er sprake is van het uitoefenen van gezag op de inventariserende en adviserende werkzaamheden van gedaagde.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als in rubriek III van deze uitspraak is weergegeven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van Ä 409,-- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 april 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x