Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AO8650
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Geen verhoging van de boetenota's hoger dan overeenkomstig gevoerd beleid, omdat van fraude niet is gebleken.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/4743 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[naam B.V.], gevestigd te [naam vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 20 juli 1998 heeft gedaagde, voor zover van belang, ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen de op 20 januari 1997 bekendgemaakte boetenota's over (vanaf maart) 1994 en 1995 ad 100% van de nageheven premie over die jaren.

De rechtbank Rotterdam heeft bij tussen partijen op 19 juli 2001 onder nummer 98/1656 gewezen uitspraak het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. A.C. van der Bent, advocaat te Rotterdam, hiertegen op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.

Appellante heeft daarop schriftelijk gereageerd en diverse stukken in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 maart 2004, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Van der Bent, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. F. Verhaart, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Partijen verschillen niet van mening over de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak vastgestelde feiten en onderschrijven het oordeel van de rechtbank dat het onderhavige beroep (nog) uitsluitend betrekking heeft op de hiervoor vermelde boetenota's. Ook de Raad gaat hiervan uit.

Uit de door gedaagde overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat de ondertekening van de boetenota's en het besluit van 20 juli 1998, anders dan appellante heeft aangevoerd, heeft plaatsgevonden door daartoe bevoegde functionarissen.

Nu appellante er van heeft afgezien om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de correctienota's over de hier van belang zijnde jaren staat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, daarmee vast dat [werknemer] (hierna: [werknemer]) in de hier van belang zijnde jaren als werknemer van appellante moet worden aangemerkt. Zodoende heeft appellante over 1994 en 1995 aan gedaagde geen juiste loopgave gedaan en daarmee een op hem op grond van artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) rustende verplichting geschonden.

In de uitspraak van 1 maart 2000, RSV 2000/87 heeft de Raad overwogen dat art. 15 lid 1 derde volzin IVBPR meebrengt dat de rechter in het kader van het beroep tegen een besluit waarbij een bestuurlijke boete, zoals ook thans in geding, is opgelegd, moet bezien of dat besluit in overeenstemming is met een na het begaan van de overtreding totstandgekomen regeling waarbij is voorzien in het opleggen van een lichtere straf, hetgeen ook geldt indien de strafverlichting totstandgekomen is tijdens de beroepsprocedure bij de rechter. Bij besluit van 29 mei 2000 (Stb 2000, 247) is vastgesteld het Boetebesluit werkgevers CSV (hierna: het Boetebesluit werkgevers). Daarin is in artikel 4 bepaald dat gedaagde bij een vergrijp aan de werkgever een boete van 25% van het alsnog verschuldigde bedrag aan (voorschot)premie oplegt. Blijkens artikel 1, aanhef en onder b, van het Boetebesluit werkgevers wordt onder vergrijp verstaan het opzettelijk of aan grove schuld te wijten, niet of niet juist of niet volledig voldoen aan een voor hem op grond van artikel 10, tweede lid, van de CSV geldende verplichting. Indien de ernst van de gedraging, de mate waarin de werkgever de gedraging verweten kan worden of de omstandigheden waarin de werkgever verkeert daartoe aanleiding geven, wordt de boete, naar het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het Boetebesluit werkgevers, verhoogd of verlaagd.

Op grond van het door gedaagde, blijkens het Besluit toepassing bestuurlijke boeten CSV 2002, gevoerde beleid verhoogt hij in het geval van ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude de boete tot 100%. Voor overige vormen van fraude hanteert gedaagde een boete van 50%.

Anders dan appellante heeft betoogd, is de haar verweten gedraging een vergrijp, nu zij - onder de omstandigheden waaronder [werknemer] sinds maart 1994 als boekhouder tegen een vaste beloning in de bedrijfsruimte van appellante, met gebruikmaking van door appellante ter beschikking gestelde faciliteiten als computerapparatuur, software, telefoon en schrijf- en kantoorartikelen zijn werkzaamheden voor appellante verrichtte - heeft moeten begrijpen dat zij van de door haar aan [werknemer] verloonde bedragen aan gedaagde opgave had moeten doen. Bij twijfel had het op haar weg gelegen bij gedaagde hierover navraag te doen. De enkele omstandigheid dat [werknemer] zich tegenover appellante als zelfstandige heeft gepresenteerd maakt dat, mede gelet op de omstandigheid dat [werknemer], naar haar bekend, eerder soortgelijke werkzaamheden in dienstbetrekking had verricht voor de rechtspersoon waarvan appellante (een deel van) het door haar gevoerde bedrijf had overgenomen, niet anders.

In tegenstelling tot hetgeen gedaagde heeft aangenomen is de Raad van fraude, dat wil zeggen van de opzet gericht op het (gedeeltelijk) ontduiken van de verplichting tot premieafdracht, niet gebleken. Gedaagde heeft zodoende zijn beleid onjuist toegepast. De Raad ziet ook anderszins geen aanleiding de op grond van artikel 4 van het Boetebesluit werkgevers op 25% vast te stellen boete te verhogen. Deze boete acht de Raad niet onevenredig.

De Raad heeft eerder overwogen, waartoe verwezen wordt naar onder meer de uitspraken gepubliceerd in RSV 1992/258 en RSV 1996/144, dat de opgelegde boete beschouwd moet worden als een 'criminal charge' in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In een dergelijk geval dient de Raad te onderzoeken of er sedert de brief waarbij de boete werd aangekondigd sprake is geweest van een dusdanig langdurig tijdsverloop dat geconcludeerd zou moeten worden dat de behandeling van de zaak niet binnen een redelijke termijn is geschied. In dit geval is sinds de brief van 13 januari 1997 waarbij de boete door gedaagde concreet werd aangekondigd inmiddels ruim 7 jaar verstreken. De Raad is van oordeel dat daardoor de redelijke termijn is overschreden. De Raad vindt hierin aanleiding om onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de opgelegde boete met driekwart te reduceren.

De Raad vindt voorts aanleiding om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de kosten van appellante, welke met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wegens de aan haar verleende rechtsbijstand zijn begroot op € 322,- voor het geding in eerste aanleg en € 644,- voor het geding in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 20 juli 1998 voor zover daarbij het bezwaar van appellante tegen de op 20 januari 1997 aan haar bekendgemaakte boetenota's over 1994 en 1995 ongegrond is verklaard;
Stelt de door appellante verschuldigde boete vast op € 338,09 (fl. 745,06) over 1994 en € 287,95 (fl. 634,56) voor 1995 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 20 juli 1998;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,-, te betalen door het Uwv;
Verstaat dat gedaagde aan appellante vergoedt het door haar betaalde griffierecht ad € 496,89 (f 1.095,-).

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x