Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AO8666
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijke aansprakelijkheid voor premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten. Onbehoorlijk bestuur.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/120 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 30 september 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen het besluit van 3 juli 1997, waarbij hij op grond van artikel 16d van de CoŲrdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [B.V. X.] verschuldigde, doch niet betaalde premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten over de jaren 1991 en 1992, zulks ten bedrage van f 26.984,07.

De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 20 november 2001 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant, is mr. J. Werle, advocaat te Drachten, op bij beroepschrift van 27 december 2001 aangevoerde gronden tegen die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 9 april 2002 van verweer gediend.

Namens appellant heeft mr. Werle, voornoemd, de Raad nog een nader stuk doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 maart 2004, waar appellant is verschenen bijgestaan door mr. Werle. Voorts is van de zijde van appellant als getuige meegebracht, mr. C.H.J. van der Maas, ex-ontvanger van de Belastingdienst, thans advocaat te Groningen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.M. Rensema, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Het geschil betreft het antwoord op de vraag of gedaagde terecht op de in het bestreden besluit aangegeven gronden heeft vastgesteld dat appellant hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [B.V. X.] verschuldigde premies, omdat aannemelijk is dat die schuld te wijten is aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van appellant, zoals bedoeld in artikel 16d, derde lid, van de CSV.

De rechtbank heeft het namens appellant tegen voornoemd besluit ingestelde beroep met betrekking tot de vraag of eerder genoemde schuld te wijten is aan het kennelijk onbehoorlijk bestuur van appellant en ingaand op de verdere grieven van appellant, met name of door uitwinning van de G-rekening door gedaagde de schuld van appellant is betaald, in een uitgebreid gemotiveerde uitspraak, ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft - kort samengevat - geoordeeld voor wat betreft de grief dat de premieschuld middels het uitwinnen van de G-rekening door gedaagde, is voldaan, dat gedaagde met de verdeling van het saldo voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat de (nog) openstaande premieschuld bij gedaagde niet is voldaan. Voorts is door gedaagde voldoende aangetoond dat appellant in zijn functie van zelfstandig mede-bestuurder, kennelijk onbehoorlijk bestuur te verwijten valt door niet tijdig adequate maatregelen te treffen naar aanleiding van het functioneren van medebestuurder [naam medebestuurder] te meer nu appellant bekend was met de problematische financiŽle situatie waarin de rechtspersoon zich bevond bij oprichting. Tenslotte heeft de rechtbank overwogen gelet op het moment van aansprakelijkstelling door gedaagde, dat er geen sprake is van onnodig lang talmen door gedaagde.

Namens appellant is in hoger beroep - kort gezegd - aangevoerd dat er geen premieschuld meer resteert aangezien gedaagde de G-rekening geheel te zijner behoeve heeft uitgewonnen en geÔncasseerd. Tevens is namens appellant vastgehouden aan het standpunt dat hoewel appellant wellicht niet altijd even gelukkig en/of verstandig als formele bestuurder op afstand heeft gefunctioneerd, niet gezegd kan worden dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur van de zijde van appellant. Voorts is in hoger beroep herhaald dat gedaagde onnodig lang heeft getalmd met het aansprakelijkstellen van gedaagde. Hiertoe is namens appellant er op gewezen dat appellant ondanks en na enkele jaren eerder door de Belastingdienst met appellant aangegane dadingsovereenkomst, welke overeenkomst is gesloten met het oog hierop dat gedaagde de G-rekening volledig had uitgewonnen en geÔncasseerd, er op mocht vertrouwen dat een goede coŲrdinatie/afstemming zou plaatsvinden tussen Belastingdienst en gedaagde. Appellant had derhalve geen enkele reden te veronderstellen dat hij na de dadingsovereenkomst nog geconfronteerd zou worden met een aansprakelijkstelling.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 16d, eerste lid, van de CSV is hoofdelijk aansprakelijk voor de premie en de voorschotpremie verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen: ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het lichaam als bedoeld in het eerste lid verplicht is onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling in staat is, daarvan mededeling te doen aan het uitvoeringsorgaan en, indien het uitvoeringsorgaan dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. Elke bestuurder is bevoegd namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen.
Indien het lichaam op de juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is ingevolge het derde lid van artikel 16d van de CSV een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de premie of de voorschotpremie het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaand aan het tijdstip van de mededeling.
Op grond van het vierde lid is, indien het lichaam niet of niet op de juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, een bestuurder op voet van het bepaalde in het derde lid aansprakelijk met dien verstande, dat vermoed wordt dat de niet-betaling aan hem is te wijten, en dat de periode van drie jaar wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van dit vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan.

Alvorens een bestuurder hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld, dient eerst te worden vastgesteld of er nog een premievordering op de vennootschap bestaat en zo ja, tot welk bedrag. Namens appellant is aangevoerd dat geen premieschuld meer bestaat aangezien gedaagde, naar de mening van appellant, de G-rekening geheel heeft uitgewonnen en het in zijn geheel heeft geÔncasseerd waardoor er van de premieschuld niets meer resteerde.
De Raad is met de rechtbank en gedaagde van oordeel dat gelet op de brief van de Belastingdienst van 8 februari 1999 gericht aan GAK Nederland B.V., waarin namens de Belastingdienst is aangegeven dat op 26 augustus 1993 een bedrag van f 32.461,20 is ontvangen met als betalingskenmerk "restitutie inzake uitwinning G-rekening", geconcludeerd dient te worden dat gedaagde het saldo van de G-rekening, zoals ook ter zitting namens gedaagde is opgemerkt, pondspondsgewijs tussen gedaagde en de Belastingdienst heeft verdeeld, zodat aldus nog een premieschuld op [B.V. X.] resteert als bedoeld in het bestreden besluit.

Met betrekking tot het kennelijk onbehoorlijk bestuur onderschrijft de Raad de overwegingen die de rechtbank aan zijn uitspraak ten grondslag heeft gelegd en maakt deze tot de zijne. Blijkens vaste jurisprudentie van de Raad neemt een ieder die zich laat benoemen tot bestuurder van een rechtspersoon daarmee verantwoordelijkheid op zich voor het (financiŽle) beleid van die rechtspersoon. Hij dient zich dan ook op de hoogte te houden van de financiŽle toestand van de rechtspersoon en ter zake maatregelen te treffen. Aan die (collectieve) verantwoordelijkheid kan een bestuurder zich niet onttrekken door zich afzijdig te houden van het bestuur van die rechtspersoon. Een tussen de bestuurders gemaakte taakverdeling werkt slechts intern en niet tegenover derden. Een bestuurder zal zich derhalve als regel niet kunnen beroepen op een bepaalde taakverdeling, of op zijn onbekwaamheid ten aanzien van (bepaalde) bestuurstaken. Dit geldt evenzeer voor appellant die als directeur van [B.V. X.] staat ingeschreven. Bovendien was appellant op de hoogte van de slechte financiŽle toestand bij oprichting. Voorts was in dat kader een rapport uitgebracht door het IMK waarin was beschreven dat het installatiebedrijf nog levenskansen had, maar dat dit goed begeleid diende te worden. In die constellatie van feiten is de Raad van oordeel dat appellant niet tijdig adequate maatregelen heeft getroffen hetgeen in casu kennelijk onbehoorlijk bestuur oplevert. Overigens heeft gedaagde ter zitting van de Raad nog aangegeven dat [naam medebestuurder] eveneens hoofdelijk aansprakelijk is gesteld.

Naar aanleiding van de grief namens appellant dat gedaagde onnodig lang heeft getalmd met de aansprakelijkstelling overweegt de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 27 maart 2003, onder andere gepubliceerd in RSV 2003/108, dat het te dezen gaat om een uit de wet voortvloeiende, niet aan een termijn gebonden aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap voor door deze vennootschap onbetaald gebleven premies voor de sociale werknemersverzekeringen. Daarbij komt dat een voormalig bestuurder van een gefailleerde vennootschap er rekening mee moet houden dat na faillissement nog nadere premievaststelling ten laste van de vennootschap kan volgen en wel uiterlijk tot vijf jaar na en over het jaar waarin het faillissement is uitgesproken. In onderhavig geval heeft gedaagde ter zake naar voren gebracht dat de G-rekening gedeeltelijk is uitgewonnen en vervolgens de afwikkeling van het faillissement is afgewacht alvorens tot aansprakelijkstelling over te gaan. Nadat gebleken was dat de resterende schuld niet uit de boedel van [B.V. X.] voldaan kon worden, heeft gedaagde appellant hoofdelijk aansprakelijk gesteld. Het vorenstaande in onderling verband beziend houdt naar 's Raads oordeel in dat van talmen geen sprake kan zijn.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Derhalve wordt beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x