Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AP1530
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-05-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De arbeidsrelatie tussen de regisseuses en de producent van een musical; feitelijke omstandigheden.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/5844 ALGEM en 01/5854 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[naam B.V.], gevestigd te Amsterdam, hierna: [naam B.V.],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hierna: Uwv.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder Uwv tevens verstaan het Lisv.

Namens [naam B.V.] heeft mr. C.E. Dingemans, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 1 oktober 2001 onder nummer 00/3661 ALGEM door de rechtbank Amsterdam gewezen uitspraak (uitspraak A). Hierbij is het door [naam B.V.] ingestelde beroep tegen het besluit van 9 juni 2000 ongegrond verklaard. Deze zaak is ter griffie van de Raad bekend onder nummer 01/5844 ALGEM en heeft betrekking op de arbeidsverhouding tussen [naam B.V.] en K.C. [betrokkene 1] ([betrokkene 1]).

Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Uwv heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 1 oktober 2001 onder nummer 00/2197 ALGEM door de rechtbank Amsterdam gewezen uitspraak (uitspraak B). Hierbij is het beroep gegrond verklaard en het in dat geding bestreden besluit van 11 februari 2000 vernietigd, bepaald dat Uwv een nieuwe beslissing op het door [naam B.V.] ingediende bezwaar neemt, met veroordeling van Uwv tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht. Deze zaak is ter griffie van de Raad geadministreerd onder nummer 01/5854 ALGEM en ziet op de arbeidsverhouding tussen [naam B.V.] en E. [betrokkene 2] ([betrokkene 2]).

Namens [naam B.V.] is een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 22 april 2004, waar namens [naam B.V.] is verschenen mr. Dingemans, voornoemd en mr. R. Kooyman, werkzaam bij [naam B.V.], en waar Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. D.M. Rensema, werkzaam bij Uwv. Tevens waren ter zitting aanwezig [betrokkene 1] en [betrokkene 2].




II. MOTIVERING


Het besluit van 9 juni 2000 strekt tot handhaving van het besluit van 10 november 1999, waarbij [naam B.V.] als premieplichtig is aangemerkt ter zake de door [betrokkene 1] voor haar als regisseur van de musical Fame verrichte werkzaamheden. Het besluit van 11 februari 2000 strekt tot handhaving van het besluit van 2 juli 1999, inhoudende dat [naam B.V.] premieplichtig is ter zake door [betrokkene 2] voor haar als regisseur van de musical Elisabeth verrichte werkzaamheden. Uwv heeft gesteld dat [betrokkene 1] en [betr[betrokkene 2] deze werkzaamheden voor [naam B.V.] hebben verricht op grond van een arbeidsovereenkomst.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat [betrokkene 1] wél en [betr[betrokkene 2] níet de betreffende werkzaamheden in dienst van [naam B.V.] hebben verricht. [naam B.V.] bestrijdt in hoger beroep dat de hier van belang zijnde werkzaamheden door [betrokkene 1] voor haar op grond van een arbeidsovereenkomst zijn verricht, terwijl Uwv is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat tussen [betr[betrokkene 2] en [naam B.V.] ter zake het regisseren van de musical Elisabeth geen ondergeschiktheid heeft bestaan.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, ontleende feiten.

[betrokkene 1] en [betr[betrokkene 2] hebben in 1999 beiden een musical voor (de rechtsvoorgangster van) [naam B.V.] geregisseerd. Voor beiden geldt dat zij het door henzelf uitgewerkte idee voor (een Nederlandse versie van) deze musicals aan [naam B.V.] ter productie hebben aangeboden. Nadat tussen de regisseurs en [naam B.V.] principeovereenstemming was bereikt dat [naam B.V.] als producent zou willen optreden, heeft de verdere uitwerking van het concept, als in de branche gebruikelijk, plaatsgevonden in een door de regisseurs zelf samengesteld creatief team (waaronder naast de regisseurs, onder anderen de belichter, geluidstechnici, decorbouwer en de choreograaf). Dit team ontwikkelde het regieconcept. De regisseurs zijn tevens verantwoordelijk voor het bewerken van het script en de partituur. Tot de verdere uitwerking behoorde tevens het, volgens de inzichten van de regisseur, samenstellen van de spelersbezetting.
De hoofdtaak van de regisseur is het omzetten van het script in een theaterregieconcept. Dat is een eigen oorspronkelijk en auteursrechtelijk beschermd werk. Het initiatief voor de productie van de musicals Elisabeth en Fame was afkomstig van [betr[betrokkene 2] c.q. [betrokkene 1]. Zij hadden het concept voor die musicals zelf deels ontwikkeld voordat zij het ter (verdere) productie aanboden aan [naam B.V.] en de hiervoor beschreven wijze van verdere ontwikkeling van het idee vond eveneens voor een belangrijk deel voor rekening en risico van de regisseurs plaats. Het spreekt van zelf dat de beide regisseurs in hun werk een grote mate van (artistieke) vrijheid genoten.

Pas in een laat stadium tijdens de uitwerking van het concept is de principeovereenstemming tussen [naam B.V.] en de beide regisseurs omgezet in een als opdracht aangeduide overeenkomst waarin onder meer de afspraken zijn neergelegd over de periode (van enkele maanden) waarin onder de leiding van de regisseurs de musical wordt ingestudeerd. Pas na de totstandkoming van de overeenkomst met [naam B.V.] waren [betrokkene 1] en [[betrokkene 2] verzekerd van een geldelijke beloning voor hun, langdurige, inspanningen. Na de première eindigde de bemoeienis van de regisseurs. De doorlooptijd van beide projecten beloopt een veelvoud van de repetitieperiode.

De Raad is, gelet op de hiervoor geschetste feitelijke omstandigheden, van oordeel dat [betrokkene 1] en [[betrokkene 2] hun hiervoor bedoelde regiewerkzaamheden niet in dienst van [naam B.V.] hebben verricht. Het voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst vereiste werkgeversgezag ontbrak.

Anders dan Uwv heeft gesteld, is niet gebleken van de aanwezigheid van door [naam B.V.] met de artistieke leiding of toezicht belaste functionarissen. De enkele omstandigheid dat [naam B.V.], ter verzekering van haar commerciële belangen, heeft bedongen dat zonder haar voorafgaande toestemming de regisseurs geen spelers aan andere producties van [naam B.V.] kan onttrekken, doet hieraan niet af.

Uwv heeft een belangrijke aanwijzing voor het bestaan van werkgeversgezag ontleend aan artikel 9 van de van de tussen [betrokkene 1] en [naam B.V.] gesloten overeenkomst. Anders dan Uwv leest de Raad in deze bepaling slechts de garantie van [betrokkene 1] tegenover [naam B.V.] dat hij zijn werkzaamheden zal verrichten en voltooien binnen de kaders van het door hem uitgewerkte en door [naam B.V.] aanvaarde plan.

Het hoger beroep van [naam B.V.] slaagt en het door Uwv ingestelde hoger beroep faalt. Uitspraak A komt voor vernietiging in aanmerking, uitspraak B kan op de vorengemelde gronden worden bevestigd.

De Raad ziet aanleiding Uwv te veroordelen in de proceskosten. In de zaak 01/5854 ALGEM zijn deze kosten begroot op € 644,-- vanwege aan [naam B.V.] in het hoger beroep verleende rechtsbijstand. In de zaak 01/5844 ALGEM begroot de Raad deze kosten wegens de aan [naam B.V.] verleende rechtsbijstand in hoger beroep op € 644,-- en voor het geding in eerste aanleg op € 644,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

In de zaak 01/5844 ALGEM:

Vernietigt uitspraak A, verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 juni 2000;
Bepaalt dat Uwv, met ingang van deze uitspraak, een nieuw besluit neemt op het door [naam B.V.] ingediende bezwaar;

In de zaak 01/5854 ALGEM:

Bevestigt uitspraak B;

In beide zaken:

Veroordeelt Uwv in de proceskosten van [naam B.V.], tot in totaal € 1.932,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door [naam B.V.] betaalde griffierecht vergoedt ad € 204,20 (f 450,--) voor het geding bij de rechtbank onder nummer 00/3661 en € 306,30 (f 675,--) voor het geding in hoger beroep;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 409,--.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2004.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x