Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AQ4533
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Bij gebreke van een deugdelijke loonadministratie is de verschuldigde premie terecht bij benadering aan de hand van een schatting vastgesteld.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2634 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[naam B.V. ], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 2 augustus 1999 heeft gedaagde gedeeltelijk ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 17 juni 1996 en 23 juli 1996, inhoudende correctie- en boetenota’s over de jaren 1991 tot en met 1993.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 29 maart 2002 onder kenmerk 99/2014 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. S.J. Schaap, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 mei 2004, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellante exploiteert een sportartikelenonderneming te Rotterdam. Voor zover in hoger beroep nog van belang, vinden de correctienota’s ad netto ƒ 12.670,- hun oorzaak in de omstandigheid dat appellante in de premiejaren 1991 tot en met 1993 betalingen aan voor haar werkzame personen heeft gedaan die niet in de loonadministratie zijn verantwoord.

De hoogte van de correctienota’s is gebaseerd op verklaringen van werknemers en ex-werknemers van appellante en verklaringen van appellantes enige aandeelhouder en directeur, afgelegd jegens een buitengewoon opsporingsambtenaar van gedaagde, alsmede op bij appellante aangetroffen loonadministratie. Aan de hand hiervan heeft gedaagde blijkens het rapport fraudeonderzoek van 25 april 1996 de niet verantwoorde uren in 1991 tot en met 1993 geschat.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat gedaagde terecht heeft geconcludeerd dat appellante niet, dan wel niet op de juiste wijze, alle door haar in de periode van 1991 tot en met 1993 gedane loonbetalingen in haar loonadministratie heeft verantwoord en dat gedaagde de totale navordering schattenderwijs heeft kunnen vaststellen.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de aan de correctienota’s ten grondslag liggende schatting van niet-verantwoorde lonen ten onrechte is gebaseerd op voormelde verklaringen, omdat dezen merendeels niet zijn ondertekend, terwijl uit de verklaring van haar directeur niet meer blijkt dan dat ‘zwart’ is gewerkt.

De Raad kan appellante hierin niet volgen.

De Raad is met de rechtbank is van oordeel dat gedaagde bij gebreke van een deugdelijke loonadministratie de verschuldigde premie terecht bij benadering aan de hand van een schatting heeft vastgesteld. Evenals de rechtbank stelt de Raad daartoe vast dat het bewijs dat appellante door haar buiten de loonadministratie gehouden loonbetalingen zijn gedaan niet alleen kan worden gevonden in de verklaring van appellantes directeur, maar steun vindt in door (ex)werknemers van appellante afgelegde verklaringen. Anders dan appellante kennelijk meent, blijkt uit de zich onder de gedingstukken bevindende ambtsedige processen-verbaal met de integrale versie van de getuigenverklaringen dat het merendeel is ondertekend. De Raad wijst tot slot nog op zijn vaste rechtspraak dat het risico van een mogelijk te hoge schatting in een geval als het onderhavige voor rekening van appellante komt.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt.

De Raad acht, tot slot, geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x