Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AQ4563
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Privaatrechtelijke dienstbetrekking. Is betrokkene, enig aandeelhouder en directeur van een BV, in dienst van het betrokken bedrijf werkzaam geweest? Is er sprake van een gezagsverhouding?
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3756 ALGEM



U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[naam vennootschap] te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv

Bij besluit van 22 februari 2001 verklaarde gedaagde het tegen zijn primair besluit van 5 mei 2000 gerichte bezwaar ongegrond. Het primair besluit waarin [betrokkene] als verplicht verzekerd op grond van artikel 3 Werkloosheidswet, Ziektewet en Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering werd aangemerkt, werd bij deze beslissing op bezwaar gehandhaafd.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 29 mei 2002, kenmerk 01/1207, waarin het tegen deze beslissing gerichte beroep van appellante ongegrond is verklaard.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 13 mei 2004. Voor appellante verschenen mr.drs. G.S. van de Weg en ing. [betrokkene], bijgestaan door mr. E. van Waaijen, werkzaam bij Du Vent Advies B.V. te Bosch en Duin. Voor gedaagde verscheen mr. M. Mulder, werkzaam bij het UWV.




II. MOTIVERING


Partijen zijn verdeeld over de beantwoording van de vraag of [betrokkene] (hierna: [betrokkene]), enig aandeelhouder en directeur van [naam B.V.] van 1 maart 2000 tot eind 2001 in dienst van appellante werkzaam is geweest.

Tussen appellante en [naam B.V.] is in verband met een overeenkomst van opdracht tussen appellante en Cadans Uitvoeringsinstelling B.V. (hierna Cadans) een overeenkomst van opdracht gesloten, waarin onder meer is bepaald dat [betrokkene] namens [naam B.V.] verantwoordelijk is voor de goede uitvoering van de opdracht conform de overeenkomst tussen Cadans en appellante. Met deze laatste overeenkomst verleende Cadans aan appellante de opdracht om leiding te geven aan - kort gezegd - een project inzake de implementatie van de euro. Deze functie moest worden verricht door een algemeen programmamanager euro en daartoe stelde appellante [betrokkene] ter beschikking die bereid was deze opdracht uit te voeren.

Om te kunnen aannemen dat er sprake is van een dienstbetrekking tussen [betrokkene] en appellante dient er op grond van de overeenkomst tussen appellante en [betrokkene] sprake te zijn van een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, een verplichting tot loonbetaling en dient er een gezagsverhouding te bestaan. Het geschil tussen appellante en gedaagde betreft in wezen uitsluitend de vraag of er sprake is van een gezagsverhouding.

De Raad is van oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en overweegt daartoe het volgende.

Tussen appellante en [naam B.V.] is een overeenkomst van opdracht gesloten waaruit op grond van artikel 7:402 voortvloeit dat [naam B.V.] als opdrachtnemer en daarmee haar directeur/enig aandeelhouder [betrokkene] gevolg moet geven aan de aanwijzingen gegeven door appellante, de opdrachtgever. Uit de overeenkomst komt naar voren dat een directielid van appellante het schaduwmanagement en de kwaliteitsborging uitvoert en dat [betrokkene] in verband met deze kwaliteitsborging minimaal maandelijks schriftelijk op de door appellante voorgeschreven manier verslag moet uitbrengen van de bestede tijd, het verloop van de opdracht en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de opgedragen werkzaamheden. Voorts blijkt uit de overeenkomst dat ze met onmiddellijke ingang kan worden opgezegd en beŽindigd, onder andere indien appellante van mening is of in redelijkheid kan vrezen dat [betrokkene] de jegens Cadans aangegane verplichtingen niet, niet tijdig en/of niet voldoende en/of op niet behoorlijke wijze nakomt, respectievelijk zal nakomen. Volgens de overeenkomst doet zoín omstandigheid zich in ieder geval voor, indien na een eenmalige waarschuwing schriftelijk en met redenen omkleed met inbegrip van vervolgstappen van de zijde van appellante te dier zake [betrokkene] desondanks geen en/of niet tijdig gevolg en/of onvoldoende gevolg blijkt te hebben gegeven, een en ander uitsluitend ter beoordeling en beslissing van appellante. Appellante houdt, blijkens considerans V, toezicht op de inhoud van de uitvoeringscondities. Appellante draagt volledig zorg voor de administratieve afhandeling (artikel 4) en is bevoegd om maatregelen te treffen bij onvoorziene ontstentenis van [betrokkene] (artikel 9) en in artikel 14 van de overeenkomst is de gebondenheid van [naam B.V.] jegens appellante neergelegd in verband met door appellante verworven vervolgopdrachten.

Alleen al uit de inhoud van deze overeenkomst tot opdracht kan naar het oordeel van de Raad worden afgeleid dat er gedurende de looptijd ervan sprake was van een gezagsverhouding tussen [betrokkene] en appellante, waardoor moet worden aangenomen dat [betrokkene] verzekeringsplichtig is op grond van de werknemersverzekeringen.

Vanwege appellante is ter zitting een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel met een verwijzing naar de situatie ten aanzien van een andere interimmanager. Die situatie zou gelijk zijn aan de situatie in het onderhavige geval. De Raad kan niet op deze grief ingaan gelet op het laattijdige moment waarop ze naar voren is gebracht en de ontoereikende mate waarin ze is onderbouwd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel, als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2004.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x