Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   SOCIALEVERZEKERINGSPLICHT
x
LJN:
x
AQ5979
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens ontvallen procesbelang, omdat het beroep in eerste aanleg gegrond is verklaard en het bestreden besluit is vernietigd.
 
 
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/1513 ALGEM




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 19 april 2001 heeft gedaagde appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaren tegen het besluit van 29 augustus 2000, waarbij Ernst & Young Interimmanagement B.V. te Maarssen (hierna: Ernst & Young) is medegedeeld dat de voor haar in de periode van 15 december 1999 tot 1 september 2000 werkzame G.J. [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) verplicht verzekerd is voor de sociale werknemersverzekeringswetten en zij deswege premies ingevolge deze wetten dient af te dragen over de aan hem verrichte betalingen.

De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 24 januari 2002, registratienummer: 01/935, het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante is bij gemachtigde mr. R.Ph. de Quay, advocaat te Nijmegen, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 2 mei 2002, ingediend.

Bij brief van 3 juni 2002 heeft mr. De Quay de Raad doen toekomen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 mei 2002, registratienummer: 01/993, waarbij het beroep van Ernst & Young tegen een besluit van eveneens 19 april 2002, strekkende tot ongegrondverklaring van haar bezwaren tegen voormeld besluit van 29 augustus 2000, gegrond is verklaard en dit besluit is vernietigd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 juni 2004, waar appellante, zoals aangekondigd, zich niet heeft doen vertegenwoordigen en waar voor gedaagde is verschenen mr. F.L.M. Schütz, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bestuurder en enig aandeelhouder van appellante is [B.V. X]. Van deze vennootschap is [betrokkene] enig aandeelhouder en bestuurder. Appellante heeft op 16 december 1999 een overeenkomst van opdracht gesloten met Ernst & Young, inhoudende dat [betrokkene] een door Ernst & Young verkregen opdracht zal uitvoeren in de periode van 15 december 1999 tot 1 mei 2000. Deze opdracht is nadien verlengd tot 1 september 2000.

Bij besluit van 29 augustus 2000 heeft gedaagde Ernst & Young laten weten dat hij de werkzaamheden van [betrokkene] aanmerkt als verzekeringsplichtige arbeid in de zin van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en zij dan ook premies ingevolge deze wetten dient af te dragen over de door haar verrichte betalingen voor de arbeid van [betrokkene].

Appellante heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit van 19 april 2001 heeft gedaagde appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaren op de grond dat zij geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de visie van gedaagde is er geen sprake van een rechtstreeks belang van appellante bij het besluit van 29 augustus 2000. Hoogstens is er sprake van een afgeleid belang.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit standpunt van gedaagde onderschreven.

Tegen het besluit van 29 augustus 2000 heeft ook Ernst & Young een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van eveneens 19 april 2001 heeft gedaagde de bezwaren van Ernst & Young ongegrond verklaard.

Bij de door appellante bij haar brief van 3 juni 2002 overgelegde uitspraak van 27 mei 2002 heeft de rechtbank Utrecht het namens Ernst & Young ingediende beroep gegrond verklaard en het aan haar gerichte besluit van 19 april 2001 vernietigd. Van die uitspraak is gedaagde bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Bij uitspraak van heden heeft de Raad evenvermelde uitspraak bevestigd.

Mede gelet op het in het beroepschrift van appellante gestelde omtrent haar procesbelang stelt de Raad vast dat met zijn uitspraak op het hoger beroep van gedaagde tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht het belang van appellante aan haar hoger beroep is komen te ontvallen. Dit betekent dat zij in haar hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2004.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. sv-plicht | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x